ECLI:NL:PHR:2011:BQ0767 · Parket bij de Hoge Raad
Legislator summary
AI generatedNr. 10/01395 Mr. Vellinga Zitting: 22 maart 2011 Conclusie inzake: [Verdachte] 1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens 1,2 en 3, telkens "Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming" en 4. "Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden. Voorts bevat het arrest enige bijkomende beslissingen, een en ander als in het arrest vermeld.
Legislator headnote
AI generatedECLI:NL:PHR:2011:BQ0767 · Parket bij de Hoge Raad: Namens verdachte is op 25 februari 2010 beroep in cassatie ingesteld. De aanvulling met bewijsmiddelen is op 19 augustus 2010 door de oudste raadsheer ondertekend. Dit brengt mee dat de termijn als bedoeld in art. 365a, tweede en derde lid, Sv is overschreden. De wet stelt echter geen sanctie op de niet nakoming van die termijn.(1) 6. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
Full text
Nr. 10/01395 Mr. Vellinga Zitting: 22 maart 2011 Conclusie inzake: [Verdachte] 1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens 1,2 en 3, telkens "Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming" en 4. "Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden. Voorts bevat het arrest enige bijkomende beslissingen, een en ander als in het arrest vermeld.
2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 10/01395 en 10/04121. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Namens verdachte heeft mr. S.T. van Berge Henegouwen, advocaat te Maastricht, één middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel klaagt dat het Hof niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn het verkorte arrest met bewijsmiddelen heeft aangevuld.
5. Namens verdachte is op 25 februari 2010 beroep in cassatie ingesteld. De aanvulling met bewijsmiddelen is op 19 augustus 2010 door de oudste raadsheer ondertekend. Dit brengt mee dat de termijn als bedoeld in art. 365a, tweede en derde lid, Sv is overschreden. De wet stelt echter geen sanctie op de niet nakoming van die termijn.(1) 6. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Zie HR 24 maart 1998, NJ 1998, 557 en HR 21 september 1999, NJ 1999, 786.