Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2011:BP9992 ECLI:NL:PHR:2011:BP9992 AI generated

ECLI:NL:PHR:2011:BP9992 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2011:BP9992
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

10/02867 mr. J. Spier Zitting 25 maart 2011 (bij vervroeging) Verkorte Conclusie inzake [Eiser 1] [Eiseres 2] tegen [Verweerder 1] [Verweerster 2] 1. In cassatie is tijdig opgekomen tegen de arresten van het Hof 's-Gravenhage van 1 november 2007 en 1 juni 2010. De onderdelen 1.2 (1.1 behelst geen klacht) - 1.6 van het eerste middel voldoen niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. omdat zij niet aangeven waar de daarin genoemde stellingen in feitelijke aanleg zijn betrokken.

Legislator headnote

AI generated

art. 407 lid 2 Rv; ECLI:NL:PHR:2011:BP9992 · Parket bij de Hoge Raad: Onderdeel 1.9 mislukt reeds omdat [eiser] zelf de kans heeft gehad om de daarin genoemde vragen aan de getuige te stellen wat hij blijkbaar heeft nagelaten.

Keywords

AI generated
art. 407 lid 2 Rv

Cited Legislation

AI generated
art. 407 lid 2 Rv
De onderdelen 1.2 (1.1 behelst geen klacht) - 1.6 van het eerste middel voldoen niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

10/02867 mr. J. Spier Zitting 25 maart 2011 (bij vervroeging) Verkorte Conclusie inzake [Eiser 1] [Eiseres 2] tegen [Verweerder 1] [Verweerster 2] 1. In cassatie is tijdig opgekomen tegen de arresten van het Hof 's-Gravenhage van 1 november 2007 en 1 juni 2010.

2. De onderdelen 1.2 (1.1 behelst geen klacht) - 1.6 van het eerste middel voldoen niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. omdat zij niet aangeven waar de daarin genoemde stellingen in feitelijke aanleg zijn betrokken.

3. Onderdeel 1.7 is onbegrijpelijk omdat niet valt in te zien hoe het Hof in zijn tussenarrest rekening kon houden met een posterieure verklaring. Dat trekt onderdeel 1.8 mee in zijn val.

4. Onderdeel 1.9 mislukt reeds omdat [eiser] zelf de kans heeft gehad om de daarin genoemde vragen aan de getuige te stellen wat hij blijkbaar heeft nagelaten.

5. Op dit alles ketst de voortbouwende klacht van onderdeel 1.10 eveneens af.

6. Middel II mislukt. Dat spreekt voor zich.

7. De onderdelen 3.1 - 3.4 van het derde middel behelzen, naar ik begrijp, klachten die voortbouwen op het eerste middel. Zij delen daarom hun lot. 8.Voor zover onderdeel 3.5 al begrijpelijk is en [eiser] niet opbreekt dat geen beroep wordt gedaan op een vindplaats in de dingtalen waar hij aandacht voor dit punt heeft gevraagd, mislukt het omdat het niet voorbij gaat aan 's Hofs redengeving.

9. Onderdeel 3.6 is onbegrijpelijk voor zover het iets bedoelt toe te voegen aan de eerdere klachten en mislukt als het een herhaling van zetten is.

10. Onderdeel 3.7 behelst een voortbouwende klacht die eveneens faalt. Conclusie Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, Advocaat-Generaal