Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2010:BL1124 ECLI:NL:PHR:2010:BL1124 AI generated

ECLI:NL:PHR:2010:BL1124 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2010:BL1124
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

09/03349 Mr L. Strikwerda Parket, 22 jan. 2010 conclusie inzake [Verzoeker] Edelhoogachtbaar College, 1. Het tijdig door verzoeker tot cassatie, hierna: [verzoeker], ingestelde cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 18 augustus 2009. Bij dit arrest heeft het hof op het hoger beroep van [verzoeker] het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 13 mei 2009, waarbij de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoeker] tussentijds werd beëindigd, bekrachtigd.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:PHR:2010:BL1124 · Parket bij de Hoge Raad: Het cassatieberoep berust op één middel. Het middel kan naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en noopt niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat het cassatieberoep zich leent voor verwerping met toepassing van art. 81 RO. De zaak komt daarom in aanmerking voor een verkorte conclusie.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

09/03349 Mr L. Strikwerda Parket, 22 jan. 2010 conclusie inzake [Verzoeker] Edelhoogachtbaar College, 1. Het tijdig door verzoeker tot cassatie, hierna: [verzoeker], ingestelde cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 18 augustus 2009. Bij dit arrest heeft het hof op het hoger beroep van [verzoeker] het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 13 mei 2009, waarbij de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoeker] tussentijds werd beëindigd, bekrachtigd.

2. Het cassatieberoep berust op één middel. Het middel kan naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en noopt niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat het cassatieberoep zich leent voor verwerping met toepassing van art. 81 RO. De zaak komt daarom in aanmerking voor een verkorte conclusie.

3. Het middel betoogt dat het hof ten onrechte en/of op onbegrijpelijke gronden heeft geoordeeld dat er sprake is van een boedelachterstand. Het middel stelt dat géén sprake is van een boedelachterstand, aangezien alle inkomsten van [verzoeker] in de boedel zouden zijn gevloeid.

4. Uit de gedingstukken blijkt niet (het middel noemt ook geen vindplaatsen) dat [verzoeker] in feitelijke instanties de bevinding van de bewindvoerder dat er sprake is van een boedelachterstand (van ruim Euro 12.000,-) heeft betwist. Noach heeft slechts aangevoerd dat hem geen verwijt valt te maken van het oplopen van de boedelachterstand. De beoordeling van de voor het eerst in cassatie aangevoerde stelling dat geen sprake is van een boedelachterstand, vergt een onderzoek van overwegend feitelijke aard. Daarvoor is in cassatie geen plaats. Het middel berust derhalve op een ongeoorloofd novum in cassatie (vgl. Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen, 2005, nr. 137) en is daarom tevergeefs voorgesteld. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,