Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2008:BC6732 ECLI:NL:PHR:2008:BC6732 AI generated

ECLI:NL:PHR:2008:BC6732 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2008:BC6732
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Nr. 00605/07 P Mr. Vellinga Zitting: 19 februari 2008 Nadere conclusie inzake: [Betrokkene = veroordeelde] 1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft het door de veroordeelde uit valsheid in geschrift en oplichting verkregen voordeel vastgesteld op € 127,361,67 en aan de veroordeelde ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 110.000,--.

Legislator headnote

AI generated

art. 69 Sr, art. 511g lid 2 Sv; ECLI:NL:PHR:2008:BC6732 · Parket bij de Hoge Raad: Het voorgaande betekent dat de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep (art. 511g lid 2 Sv) niet op de juiste wijze is betekend, hetgeen nu de veroordeelde niet ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen, meebrengt dat het Hof, gelet op het bepaalde in art. 588 lid 1 (oud) jo 590 Sv, de oproeping nietig had dienen te verklaren(1).

Keywords

AI generated
art. 69 Sr art. 511g lid 2 Sv

Cited Legislation

AI generated
art. 69 Sr
Ingevolge art. 69 Sr is het recht tot strafvervolging daardoor in deze zaak vervallen.
art. 511g lid 2 Sv
Het voorgaande betekent dat de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep (art. 511g lid 2 Sv) niet op de juiste wijze is betekend, hetgeen nu de veroordeelde niet ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen, meebrengt dat het Hof, gelet op het bepaalde in art.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Nr. 00605/07 P Mr. Vellinga Zitting: 19 februari 2008 Nadere conclusie inzake: [Betrokkene = veroordeelde] 1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft het door de veroordeelde uit valsheid in geschrift en oplichting verkregen voordeel vastgesteld op € 127,361,67 en aan de veroordeelde ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 110.000,--.

2. Namens de verdachte hebben mr. G.P. Hamer en B.P. de Boer, advocaten te Amsterdam, zes middelen van cassatie voorgesteld.

3. In deze zaak heb ik op 15 januari 2008 geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en nietigverklaring van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep. Op verzoek van de Hoge Raad neem ik een nadere conclusie.

4. Blijkens een door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Vlissingen opgemaakte akte van overlijden is de veroordeelde op 7 september 2007 aldaar overleden. Ingevolge art. 69 Sr is het recht tot strafvervolging daardoor in deze zaak vervallen.

5. Deze conclusie strekt ertoe dat de bestreden uitspraak zal worden vernietigd, behoudens voor zover daarbij het in eerste aanleg gewezen vonnis is vernietigd, en dat de Hoge Raad het openbaar ministerie alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging van de veroordeelde. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Nr. 00605/07 P Mr. Vellinga Zitting: 15 januari 2008 Conclusie inzake: [Betrokkene = veroordeelde] 1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft het door de veroordeelde uit valsheid in geschrift en oplichting verkregen voordeel vastgesteld op € 127,361,67 en aan de veroordeelde ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 110.000,--.

2. Namens verdachte hebben mr. G.P. Hamer en B.P. de Boer, advocaten te Amsterdam, zes middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het tweede middel is betreft de geldigheid van de betekening van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep.

4. De oproeping is op 1 mei 2003 uitgereikt aan de griffier omdat van de veroordeelde ten tijde van de uitreiking geen feitelijke woon- of verblijfplaats bekend was. De veroordeelde is ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 4 juni 2003 niet verschenen.

5. Blijkens een zich bij de stukken bevindend GBA-overzicht d.d. 5 maart 2007 was de verdachte vanaf 8 april 2003 tot 11 augustus 2003 woonachtig op het adres [a-straat 1] te [plaats].

6. Het voorgaande betekent dat de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep (art. 511g lid 2 Sv) niet op de juiste wijze is betekend, hetgeen nu de veroordeelde niet ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen, meebrengt dat het Hof, gelet op het bepaalde in art. 588 lid 1 (oud) jo 590 Sv, de oproeping nietig had dienen te verklaren(1).

7. Het middel slaagt. Doelmatigheidshalve kan de Hoge Raad de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep zelf nietig verklaren.

8. Gelet op het voorgaande kunnen de overige middelen buiten bespreking blijven.

9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en nietigverklaring van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 HR 12 maart 2002, LJN AD5163, NJ 2002, 317, m. nt. Sch, rov. 3.29