Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2008:BC2338 ECLI:NL:PHR:2008:BC2338 AI generated

ECLI:NL:PHR:2008:BC2338 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2008:BC2338
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Nr. 03221/06 Mr. Vellinga Zitting: 27 november 2007 Conclusie inzake: [Verdachte] 1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens "in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet dat het vervalst is" veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk met twee jaren proeftijd.

Legislator headnote

AI generated

art. 587 Sv, art. 6 EVRM, art. 437 Sv, art. 437 lid 2 Sv; ECLI:NL:PHR:2008:BC2338 · Parket bij de Hoge Raad: In de schriftuur wordt aangevoerd dat art. 587 Sv en 6 lid 1 EVRM zijn geschonden. De onderbouwing behelst een betoog dat er in de kern op neerkomt dat de in het Wetboek van Strafvordering neergelegde regeling met betrekking tot het betekenen van dagvaardingen niet aan de eisen van art. 6 EVRM voldoet.

Keywords

AI generated
art. 587 Sv art. 6 EVRM art. 437 Sv art. 437 lid 2 Sv

Cited Legislation

AI generated
art. 587 Sv
In de schriftuur wordt aangevoerd dat art. 587 Sv en 6 lid 1 EVRM zijn geschonden.
art. 6 EVRM
De onderbouwing behelst een betoog dat er in de kern op neerkomt dat de in het Wetboek van Strafvordering neergelegde regeling met betrekking tot het betekenen van dagvaardingen niet aan de eisen van art. 6 EVRM voldoet.
art. 437 Sv
Voor onderzoek door de cassatierechter komen alleen in aanmerking middelen van cassatie als bedoeld in art. 437 Sv.
art. 437 lid 2 Sv
Derhalve heeft de verdachte niet door zijn raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend, hetgeen gelet op het bepaalde in art. 437 lid 2 Sv niet-ontvankelijkheid ten gevolge heeft.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Nr. 03221/06 Mr. Vellinga Zitting: 27 november 2007 Conclusie inzake: [Verdachte] 1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens "in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet dat het vervalst is" veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk met twee jaren proeftijd.

2. Namens verdachte heeft mr. P. Jeeninga, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

3. In de schriftuur wordt aangevoerd dat art. 587 Sv en 6 lid 1 EVRM zijn geschonden. De onderbouwing behelst een betoog dat er in de kern op neerkomt dat de in het Wetboek van Strafvordering neergelegde regeling met betrekking tot het betekenen van dagvaardingen niet aan de eisen van art. 6 EVRM voldoet.

4. Voor onderzoek door de cassatierechter komen alleen in aanmerking middelen van cassatie als bedoeld in art. 437 Sv. Als een zodanig middel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. (HR 19 november 2002, LJN AE1171). De hiervoor omschreven inhoud van de schriftuur voldoet niet aan deze eis. Derhalve heeft de verdachte niet door zijn raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend, hetgeen gelet op het bepaalde in art. 437 lid 2 Sv niet-ontvankelijkheid ten gevolge heeft.

5. Overigens wordt in het in de schriftuur verwoorde betoog over het hoofd gezien dat de Regeling van 3 juni 2004, nr. 5287706/504, Stcrt 2004, nr 123, p. 13 niet voorziet in uitreiking door een rechter, daar een rechter niet wordt genoemd in het in de Regeling genoemde art. 14 lid 2 Wet RO.

6. Deze conclusie strekt ertoe dat verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG