ECLI:NL:PHR:2005:AX8882 · Parket bij de Hoge Raad
Legislator summary
AI generatedK 338 Aan de Hoge Raad der Nederlanden, Vierde Meervoudige Kamer, Vordering als bedoeld in artikel 46o van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren Op 7 juli 2005 heeft de Hoge Raad ingevolge art. 46f lid 2 aanhef en sub a van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra) de schorsing als rechterlijk ambtenaar voor de wettelijke termijn van drie maanden uitgesproken van [betrokkene] geboren op [geboortedatum] 1957 te [geboorteplaats], wonende aan [a-straat 1] te [woonplaats]. Blijkens de uitspraak vormen de grondslag voor de schorsing de omstandigheden dat tegen de betrokkene een gerechtelijk vooronderzoek ter zake van een misdrijf is ingesteld en dat de aard en ernst van de feiten waarvan hij wordt verdacht, meebrengen dat hij gedurende het strafrechtelijk onderzoek niet zijn functie van raadsheer kan uitoefenen.
Legislator headnote
AI generatedECLI:NL:PHR:2005:AX8882 · Parket bij de Hoge Raad: Ik stel vast dat voornoemde omstandigheden onveranderd zijn. Het gerechtelijk vooronderzoek ter zake van die feiten is nog gaande. Ik verwijs naar de brief van de Hoofdofficier van Justitie, mr. A.B. Vast, van 15 september 2005, welke ik bij deze vordering overleg. Voorts leg ik de bijlagen bij die brief over, overeenkomstig de bijgevoegde inventarislijst. Van nieuwe feiten en omstandigheden ten aanzien van de schorsing is mij niet gebleken. In een telefonisch gesprek op vrijdag 16 september 2005 met de raadsman van de betrokkene, mr. J.P. Plasman, heeft de raadsman mij meegedeeld dat de betrokkene geen gebruik wil maken van de gelegenheid door de Procureur-Generaal op de vordering tot verlenging van de schorsing te worden gehoord en dat hij zich refereert aan het oordeel van de Hoge Raad.
Full text
K 338 Aan de Hoge Raad der Nederlanden, Vierde Meervoudige Kamer, Vordering als bedoeld in artikel 46o van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren Op 7 juli 2005 heeft de Hoge Raad ingevolge art. 46f lid 2 aanhef en sub a van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra) de schorsing als rechterlijk ambtenaar voor de wettelijke termijn van drie maanden uitgesproken van [betrokkene] geboren op [geboortedatum] 1957 te [geboorteplaats], wonende aan [a-straat 1] te [woonplaats]. Blijkens de uitspraak vormen de grondslag voor de schorsing de omstandigheden dat tegen de betrokkene een gerechtelijk vooronderzoek ter zake van een misdrijf is ingesteld en dat de aard en ernst van de feiten waarvan hij wordt verdacht, meebrengen dat hij gedurende het strafrechtelijk onderzoek niet zijn functie van raadsheer kan uitoefenen.
Ik stel vast dat voornoemde omstandigheden onveranderd zijn. Het gerechtelijk vooronderzoek ter zake van die feiten is nog gaande. Ik verwijs naar de brief van de Hoofdofficier van Justitie, mr. A.B. Vast, van 15 september 2005, welke ik bij deze vordering overleg. Voorts leg ik de bijlagen bij die brief over, overeenkomstig de bijgevoegde inventarislijst. Van nieuwe feiten en omstandigheden ten aanzien van de schorsing is mij niet gebleken. In een telefonisch gesprek op vrijdag 16 september 2005 met de raadsman van de betrokkene, mr. J.P. Plasman, heeft de raadsman mij meegedeeld dat de betrokkene geen gebruik wil maken van de gelegenheid door de Procureur-Generaal op de vordering tot verlenging van de schorsing te worden gehoord en dat hij zich refereert aan het oordeel van de Hoge Raad.
Een gehoor als bedoeld in art. 46o lid 3 Wrra heeft derhalve niet plaatsgevonden. Gelet op het voorafgaande vorder ik dat de Hoge Raad de op 7 juli 2005 uitgesproken schorsing van [betrokkene] op de voet van art. 46f lid 2 aanhef en sub a in verband met art. 46 g lid 1 Wrra zal verlengen voor een periode van drie maanden. 's-Gravenhage, 21 september 2005 De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,