ECLI:NL:PHR:2004:AR3001 · Parket bij de Hoge Raad
Legislator summary
AI generatedNr. 01447/03 P Mr. Machielse Zitting 21 september 2004 Conclusie inzake: [verzoeker=betrokkene] 1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 3 februari 2003 verzoeker de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 23.104,94, subsidiair 180 dagen hechtenis.
Legislator headnote
AI generatedart. 511h Sv; ECLI:NL:PHR:2004:AR3001 · Parket bij de Hoge Raad: De aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv is op 8 juli 2003 in persoon betekend aan verzoeker. Art. 437, tweede lid, in verbinding met art. 511h Sv bepaalt dat verzoeker, op straffe van niet-ontvankelijkheid, uiterlijk twee maanden daarna door zijn raadsman een schriftuur had moeten doen indienen. Dit is niet gebeurd. Op 16 juni 2004 kwam ter griffie van de Hoge Raad een schrijven van de raadsman binnen inhoudende onder meer dat ten gevolge van een misverstand zijnerzijds geen schriftuur in cassatie is ingediend, alsmede dat hij ter zitting van de Hoge Raad op 22 juni 2004 het cassatieberoep mondeling wilde toelichten. Ter zitting van de Hoge Raad heeft de raadsman vervolgens zijn toelichting schriftelijk overgelegd.
Keywords
AI generatedCited Legislation
AI generatedFull text
Nr. 01447/03 P Mr. Machielse Zitting 21 september 2004 Conclusie inzake: [verzoeker=betrokkene] 1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 3 februari 2003 verzoeker de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 23.104,94, subsidiair 180 dagen hechtenis.
2. De aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv is op 8 juli 2003 in persoon betekend aan verzoeker. Art. 437, tweede lid, in verbinding met art. 511h Sv bepaalt dat verzoeker, op straffe van niet-ontvankelijkheid, uiterlijk twee maanden daarna door zijn raadsman een schriftuur had moeten doen indienen. Dit is niet gebeurd. Op 16 juni 2004 kwam ter griffie van de Hoge Raad een schrijven van de raadsman binnen inhoudende onder meer dat ten gevolge van een misverstand zijnerzijds geen schriftuur in cassatie is ingediend, alsmede dat hij ter zitting van de Hoge Raad op 22 juni 2004 het cassatieberoep mondeling wilde toelichten. Ter zitting van de Hoge Raad heeft de raadsman vervolgens zijn toelichting schriftelijk overgelegd.
3. Nu verzoeker echter niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, in verbinding met art. 511h Sv, zodat verzoeker in het beroep niet kan worden ontvangen.
4. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn beroep in cassatie. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden