Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2004:AR1797 ECLI:NL:PHR:2004:AR1797 AI generated

ECLI:NL:PHR:2004:AR1797 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2004:AR1797
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Nr. 00156/04 E Mr. Vellinga Zitting: 7 september 2004 Conclusie inzake: [verdachte] 1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch vrijgesproken van het haar bij inleidende dagvaarding onder 2 tenlastegelegde en voorts ter zake van 1, 3, 4 en 5 telkens wegens "overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 5:12, tweede lid van de Arbeidstijdenwet, begaan door een rechtspersoon" veroordeeld tot een geldboete van €1500,= voor feit 1 en tot drie maal een geldboete van €750,= voor de feiten 3, 4 en 5.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:PHR:2004:AR1797 · Parket bij de Hoge Raad: Nr. 00156/04 E Mr. Vellinga Zitting: 7 september 2004 Conclusie inzake: [verdachte] 1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch vrijgesproken van het haar bij inleidende dagvaarding onder 2 tenlastegelegde en voorts ter zake van 1, 3, 4 en 5 telkens wegens "overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 5:12, tweede lid van de Arbeidstijdenwet, begaan door een rechtspersoon" veroordeeld tot een geldboete van €1500,= voor feit 1 en tot drie maal een geldboete van €750,= voor de feiten 3, 4 en 5.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Nr. 00156/04 E Mr. Vellinga Zitting: 7 september 2004 Conclusie inzake: [verdachte] 1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch vrijgesproken van het haar bij inleidende dagvaarding onder 2 tenlastegelegde en voorts ter zake van 1, 3, 4 en 5 telkens wegens "overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 5:12, tweede lid van de Arbeidstijdenwet, begaan door een rechtspersoon" veroordeeld tot een geldboete van €1500,= voor feit 1 en tot drie maal een geldboete van €750,= voor de feiten 3, 4 en 5.

2. Namens verdachte heeft mr. Th.J.H.M. Linssen, advocaat te Tilburg, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte art. 8 van de Verordening (EEG) nr 3820/85 als wettelijk voorschrift waarop de strafbaarheid berust heeft opgenomen, hoewel deze verordening niet een ieder kan verbinden als bedoeld in art. 93 Grondwet.

4. Het middel miskent dat een verordening van de Europese Gemeenschappen op grond van art. 249 EG-verdrag rechtstreeks werkt zonder tussenkomst van enig nationaal wettelijk voorschrift en buiten het systeem van artikel 93 en 94 Grondwet om.(1) Van schending van het legaliteitsbeginsel, zoals gesteld, is dan ook geen sprake.

5. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoeld motivering.

6. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Vgl. C.A.J.M. Kortmann, Constitutioneel recht, vierde druk, Kluwer, Deventer 2001, blz. 120-121.