Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2002:AE3548 ECLI:NL:PHR:2002:AE3548 AI generated

ECLI:NL:PHR:2002:AE3548 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2002:AE3548
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Nr. 03345/00 Mr. Fokkens Zitting 14 mei 2002 Conclusie inzake: [verdachte] 1. Verdachte is op 20 maart 2000 door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens - kort gezegd - gekwalificeerde diefstal en poging tot gekwalificeerde diefstal, veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een in het kader daarvan gestelde bijzondere voorwaarde.

Legislator headnote

AI generated

art. 6 lid 1 EVRM; ECLI:NL:PHR:2002:AE3548 · Parket bij de Hoge Raad: Of in de onderhavige zaak de acht-maanden-termijn is overschreden, kan onbesproken blijven nu het in art. 6 lid 1 EVRM neergelegde recht op berechting binnen redelijke termijn bij de behandeling van de zaak in cassatie reeds om de volgende reden is overschreden. De zaak is ter terechtzitting van de Hoge Raad van 2 april 2002 voor de eerste maal behandeld, hetgeen ertoe leidt dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan 2 jaar zijn verstreken na het op 24 maart 2000 instellen van cassatieberoep (HR 11 december 2001, NJ 2002, 85 rov. 4.). Of hiernaast de inzendtermijn is overschreden, is vervolgens niet van belang voor de strafvermindering die moet volgen.

Keywords

AI generated
art. 6 lid 1 EVRM

Cited Legislation

AI generated
art. 6 lid 1 EVRM
Of in de onderhavige zaak de acht-maanden-termijn is overschreden, kan onbesproken blijven nu het in art. 6 lid 1 EVRM neergelegde recht op berechting binnen redelijke termijn bij de behandeling van de zaak in cassatie reeds om de volgende reden is overschreden.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Nr. 03345/00 Mr. Fokkens Zitting 14 mei 2002 Conclusie inzake: [verdachte] 1. Verdachte is op 20 maart 2000 door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens - kort gezegd - gekwalificeerde diefstal en poging tot gekwalificeerde diefstal, veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een in het kader daarvan gestelde bijzondere voorwaarde.

2. Namens verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, één middel van cassatie voorgesteld. Alvorens dit middel te bespreken, vermeld ik dat aanvankelijk een middel was voorgesteld dat betrekking had op het ontbreken van een bladzijde houdende de bewijsmiddelen van het arrest van het Hof dat ter griffie van de Hoge Raad was ingekomen en vervolgens aan de raadsman was gezonden. Nadat de raadsman een volledig exemplaar van het arrest was gezonden, heeft hij het betreffende middel ingetrokken en een middel voorgesteld dat voortvloeit uit het ontbreken van die bladzijde (HR 3 oktober 2000, nr. 1441/00/U).

3. Het middel behelst de klacht dat bij de behandeling van de zaak in cassatie de redelijke termijn is overschreden.

4. Het middel baseert de schending van de redelijke termijn hoofdzakelijk op het tijdverloop tussen het instellen van cassatieberoep en het inkomen van de complete stukken ter griffie van de Hoge Raad, waarbij meer dan acht maanden zijn verstreken.

5. Of in de onderhavige zaak de acht-maanden-termijn is overschreden, kan onbesproken blijven nu het in art. 6 lid 1 EVRM neergelegde recht op berechting binnen redelijke termijn bij de behandeling van de zaak in cassatie reeds om de volgende reden is overschreden. De zaak is ter terechtzitting van de Hoge Raad van 2 april 2002 voor de eerste maal behandeld, hetgeen ertoe leidt dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan 2 jaar zijn verstreken na het op 24 maart 2000 instellen van cassatieberoep (HR 11 december 2001, NJ 2002, 85 rov. 4.). Of hiernaast de inzendtermijn is overschreden, is vervolgens niet van belang voor de strafvermindering die moet volgen.

6. Overigens is er geen reden voor vernietiging, zodat ik concludeer dat de bestreden uitspraak wordt vernietigd doch uitsluitend ten aanzien van de opgelegde straf, met vermindering daarvan en met verwerping van het beroep voor het overige. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, plv.