Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2001:AB0200 ECLI:NL:PHR:2001:AB0200 AI generated

ECLI:NL:PHR:2001:AB0200 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2001:AB0200
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Nr. C 99/277 HR Mr. Mok Zitting 1 december 1999 Conclusie inzake A.M. BORSTEN tegen DE STAAT (Ministerie van Justitie) Edelhoogachtbaar college, Het (tijdig ingestelde) beroep in cassatie is gericht tegen een in kort geding gewezen arrest van het gerechtshof te Amsterdam. In dat arrest heeft het hof geoordeeld dat de president van de rechtbank (eveneens te Amsterdam) op goede gronden heeft overwogen dat art. 429sexies W.v.S. ook van toepassing is op een gebouw dat geen woonfunctie heeft. Het beroep steunt op een middel dat inhoudt dat het hof zulks ten onrechte heeft overwogen, zonder aan te geven waarm dit ten onrechte zou zijn.

Legislator headnote

AI generated

art. 407 Rv; ECLI:NL:PHR:2001:AB0200 · Parket bij de Hoge Raad: Nr. C 99/277 HR Mr. Mok Zitting 1 december 1999 Conclusie inzake A.M. BORSTEN tegen DE STAAT (Ministerie van Justitie) Edelhoogachtbaar college, Het (tijdig ingestelde) beroep in cassatie is gericht tegen een in kort geding gewezen arrest van het gerechtshof te Amsterdam. In dat arrest heeft het hof geoordeeld dat de president van de rechtbank (eveneens te Amsterdam) op goede gronden heeft overwogen dat art. 429sexies W.v.S. ook van toepassing is op een gebouw dat geen woonfunctie heeft. Het beroep steunt op een middel dat inhoudt dat het hof zulks ten onrechte heeft overwogen, zonder aan te geven waarm dit ten onrechte zou zijn.

Keywords

AI generated
art. 407 Rv

Cited Legislation

AI generated
art. 407 Rv
Ten eerste zou zodoende het stelsel van art. 407 Rv uitgehold zou worden.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Nr. C 99/277 HR Mr. Mok Zitting 1 december 1999 Conclusie inzake A.M. BORSTEN tegen DE STAAT (Ministerie van Justitie) Edelhoogachtbaar college, Het (tijdig ingestelde) beroep in cassatie is gericht tegen een in kort geding gewezen arrest van het gerechtshof te Amsterdam. In dat arrest heeft het hof geoordeeld dat de president van de rechtbank (eveneens te Amsterdam) op goede gronden heeft overwogen dat art. 429sexies W.v.S. ook van toepassing is op een gebouw dat geen woonfunctie heeft. Het beroep steunt op een middel dat inhoudt dat het hof zulks ten onrechte heeft overwogen, zonder aan te geven waarm dit ten onrechte zou zijn.

Aldus voldoet het middel niet aan de in art. 407, lid 2, Rv besloten eisen, zodat eiser van cassatie niet in zijn beroep kan worden ontvangen<(1). Aldus ook de landsadvocaat (s.t. sub 5, p. 3). > . Dat de schriftelijke toelichting en de conclusie van repliek in cassatie van eisers advocaat wel gronden vermelden ter staving van de klacht, maakt dit niet anders. In het cassatiemiddel zelf moet te lezen zijn wat de eiser de rechter a quo verwijt<(2). Vgl. HR 19 februari 1999, NJ 1999, 428 en HR 22 september 2000, NJ 2000, 632.. > . De Staat heeft te kennen gegeven het op prijs te stellen als de Hoge Raad toch (obiter dictum) een uitspraak wil doen over de uitleg van art. 429sexies W.v.S., omdat zulks een einde aan onzekerheid daarover zou maken.

Ik voel daarvoor echter niet. Ten eerste zou zodoende het stelsel van art. 407 Rv uitgehold zou worden. Ten tweede ligt het beantwoorden van die interpretatievraag primair op de weg van de strafrechter, zodat het niet voor de hand ligt zulks obiter dictum in een civiele zaak te doen. Ik concludeer tot niet-ontvankelijkverklaring van eiser in zijn beroep en tot veroordeling van eiser in de kosten. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, plv.