ECLI:NL:PHR:2001:AA9432 · Parket bij de Hoge Raad
Legislator summary
AI generatedMr. Hartkamp nr. C99/120HR zitting 20 oktober 2000 Conclusie inzake [Eiseres] tegen [Verweerder] Edelhoogachtbaar College, De klachten van onderdeel I van het tijdig voorgestelde cassatiemiddel acht ik terecht voorgesteld. Indien de rechtbank de in het onderdeel geciteerde passages over het hoofd heeft gezien, heeft zij een essentiële stelling gepasseerd. Indien zij van oordeel was dat die uitlatingen niet kunnen worden beschouwd als het voldoen door [eiseres] aan haar mededelingsplicht met betrekking tot het bestaan van de exploitatiebeperkingen, is dat oordeel m.i. zonder nadere motivering onbegrijpelijk.
Legislator headnote
AI generatedECLI:NL:PHR:2001:AA9432 · Parket bij de Hoge Raad: Mr. Hartkamp nr. C99/120HR zitting 20 oktober 2000 Conclusie inzake [Eiseres] tegen [Verweerder] Edelhoogachtbaar College, De klachten van onderdeel I van het tijdig voorgestelde cassatiemiddel acht ik terecht voorgesteld. Indien de rechtbank de in het onderdeel geciteerde passages over het hoofd heeft gezien, heeft zij een essentiële stelling gepasseerd. Indien zij van oordeel was dat die uitlatingen niet kunnen worden beschouwd als het voldoen door [eiseres] aan haar mededelingsplicht met betrekking tot het bestaan van de exploitatiebeperkingen, is dat oordeel m.i. zonder nadere motivering onbegrijpelijk.
Full text
Mr. Hartkamp nr. C99/120HR zitting 20 oktober 2000 Conclusie inzake [Eiseres] tegen [Verweerder] Edelhoogachtbaar College, De klachten van onderdeel I van het tijdig voorgestelde cassatiemiddel acht ik terecht voorgesteld. Indien de rechtbank de in het onderdeel geciteerde passages over het hoofd heeft gezien, heeft zij een essentiële stelling gepasseerd. Indien zij van oordeel was dat die uitlatingen niet kunnen worden beschouwd als het voldoen door [eiseres] aan haar mededelingsplicht met betrekking tot het bestaan van de exploitatiebeperkingen, is dat oordeel m.i. zonder nadere motivering onbegrijpelijk.
Onderdeel II mist m.i. feitelijke grondslag. Uit het vonnis blijkt niet dat de rechtbank de grondslag van de door [verweerder] in reconventie ingestelde schadevergoedingsvordering anders heeft opgevat dan zij door [verweerder] is bedoeld. Schending van een mededelingsplicht kan, afhankelijk van de omstandigheden, zowel een beroep op dwaling als een beroep op een toerekenbare tekortkoming rechtvaardigen. Zie de conclusie voor HR 13 nov. 1998, NJ 1999, 72. De reconventionele vordering kan na verwijzing nog integraal aan de orde komen. Conclusie De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis voor zover het de door onderdeel 1 bestreden beslissing betreft en tot verwijzing van de zaak ter verdere behandeling en beslissing.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden (Advocaat-Generaal)