Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2000:AA8451 ECLI:NL:PHR:2000:AA8451 AI generated

ECLI:NL:PHR:2000:AA8451 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2000:AA8451
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Een wettelijke grondslag lijkt mij, gezien het gesloten systeem van verzoekschriftprocedures, vereist; vgl. S. Boekman, De verzoekschriftprocedure, 1996, p. 3 en p, 5, en de aldaar genoemde rechtspraak.

Legislator headnote

AI generated

art. 426a Rv; ECLI:NL:PHR:2000:AA8451 · Parket bij de Hoge Raad: De mogelijkheid een verzoekschrift bij de Hoge Raad, anders dan gericht tegen een rechterlijke beschikking, vindt geen grondslag in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering(1). Zou de Hoge Raad zich desondanks bevoegd achten hiervan kennis te nemen, dan zou het m.i. moeten voldoen aan het voorschrift van art. 426a Rv, dat het door een advocaat bij de Hoge Raad getekend is, hetgeen niet het geval is.

Keywords

AI generated
art. 426a Rv

Cited Legislation

AI generated
art. 426a Rv
moeten voldoen aan het voorschrift van art. 426a Rv, dat het door een advocaat bij de Hoge Raad getekend is, hetgeen niet het geval is.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Nr. R 00/106 HR Mr. Mok (op zichzelf staand verzoek) Parket, 15 augustus 2000 Conclusie inzake het verzoek van [verzoeker] Edelhoogachtbaar college, 1. Verzoeker van cassatie heeft voor de rechtbank te Groningen vorderingen tot verkrijging van een verklaring voor recht en tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad respectievelijk wanprestatie ingesteld tegen een tweetal wederpartijen. De rechtbank heeft, na een tussenvonnis, bij eindvonnis van 27 november 1998, de vorderingen van verzoeker afgewezen wegens verjaring daarvan. In hoger beroep heeft het gerechtshof te Leeuwarden bij arrest van 22 maart 2000 dit eindvonnis, op dezelfde grond, bekrachtigd.

2. Vervolgens heeft verzoeker contact opgenomen met een advocaat in Den Haag, met het doel te komen tot instelling van beroep in cassatie tegen het arrest van het hof. Deze ­ een ervaren cassatieadvocaat ­ heeft van de instelling van cassatieberoep afgezien, omdat hij, naar verzoeker heeft medegedeeld, dit (kort samengevat) kansloos achtte.

3. Verzoeker heeft zich thans, bij op 21 juni 2000 ingekomen verzoekschrift, tot de Hoge Raad gewend. Daarin heeft hij verzocht hem de gelegenheid te geven zelf cassatieberoep (tegen het arrest van het hof) in te stellen.

4. De mogelijkheid een verzoekschrift bij de Hoge Raad, anders dan gericht tegen een rechterlijke beschikking, vindt geen grondslag in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering(1). Zou de Hoge Raad zich desondanks bevoegd achten hiervan kennis te nemen, dan zou het m.i. moeten voldoen aan het voorschrift van art. 426a Rv, dat het door een advocaat bij de Hoge Raad getekend is, hetgeen niet het geval is.

5. De strekking van het verzoekschrift is dat de Hoge Raad een uitzondering zal toestaan op de regel van art. 407, lid 3, Rv, inhoudend dat de eiser gehouden is een advocaat bij de Hoge Raad aan te wijzen, die hem zal vertegenwoordigen. Ik betwijfel of de Hoge Raad bevoegd is een uitzondering op dit voorschrift, waaraan een nietigheidssanctie is verbonden, te maken. Ook als men zou aannemen dat zulks onder omstandigheden niet geheel uitgesloten is, kan de omstandigheid dat een advocaat bij de Hoge Raad een cassatieberoep kansloos heeft geacht en daarom van de instelling daarvan heeft afgezien, geen grond voor zulk een uitzondering opleveren. Het vervullen van dergelijke selectiefunctie is nu juist de bedoeling van de verplichte vertegenwoordiging door een advocaat.

6. De conclusie strekt, op de onder 4 en 5 genoemde gronden, tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, plv.

1. Een wettelijke grondslag lijkt mij, gezien het gesloten systeem van verzoekschriftprocedures, vereist; vgl. S. Boekman, De verzoekschriftprocedure, 1996, p. 3 en p, 5, en de aldaar genoemde rechtspraak.