ECLI:NL:PHR:2000:AA8359 · Parket bij de Hoge Raad
Legislator summary
AI generatedRekest nr. R99/024HR Mr. Moltmaker Ouderlijk gezag Parket, 14 juli 2000 Conclusie inzake [verzoekster] tegen STICHTING BUREAU JEUGDZORG AMSTERDAM Edelhoogachtbaar College, 1 Inleiding 1.1 In deze zaak is op de griffie een per fax verzonden verzoekschrift binnengekomen. Het verzoekschrift vermeldt te zijn gericht tegen een beschikking van de Rechtbank te Amsterdam van 9 december 1998. Het betreft hier een geval waarin voor indiening van het verzoekschrift geen andere vormvoorschriften gelden dan dat binnen een termijn van twee maanden een verzoekschrift ter griffie van de Hoge Raad moet zijn ingediend.
Legislator headnote
AI generatedart. 426b lid 1 Rv, art. 429 lid 2 Rv, art. 419 lid 2 Rv; ECLI:NL:PHR:2000:AA8359 · Parket bij de Hoge Raad: Nu het verzoekschrift blijkens dag en uur van ontvangst is begonnen binnen te komen op 9 februari 1999 om 23.45 uur zou het binnen de geldende termijn ter griffie zijn ingediend (HR 16 februari 1996, NJ 1997,55 m.nt. HJS en HR 20 maart 1998, NJ 1998,548). 1.2 Verzoekster heeft echter niet voldaan aan de voorwaarde van art. 426b lid 1 Rv. Zij heeft evenmin de bestreden uitspraak en de stukken van het geding overgelegd, zodat de Hoge Raad noch kan vaststellen of het cassatieberoep tijdig is ingesteld, noch of het middel feitelijke grondslag vindt in de bestreden uitspraak en de gedingstukken (art. 429 lid 2 Rv in verband met art. 419 lid 2 Rv), waardoor het cassatieberoep niet-ontvankelijk is (HR 19 maart 1993, NJ 1993,303).
Keywords
AI generatedCited Legislation
AI generatedFull text
Rekest nr. R99/024HR Mr. Moltmaker Ouderlijk gezag Parket, 14 juli 2000 Conclusie inzake [verzoekster] tegen STICHTING BUREAU JEUGDZORG AMSTERDAM Edelhoogachtbaar College, 1 Inleiding 1.1 In deze zaak is op de griffie een per fax verzonden verzoekschrift binnengekomen. Het verzoekschrift vermeldt te zijn gericht tegen een beschikking van de Rechtbank te Amsterdam van 9 december 1998. Het betreft hier een geval waarin voor indiening van het verzoekschrift geen andere vormvoorschriften gelden dan dat binnen een termijn van twee maanden een verzoekschrift ter griffie van de Hoge Raad moet zijn ingediend.
Nu het verzoekschrift blijkens dag en uur van ontvangst is begonnen binnen te komen op 9 februari 1999 om 23.45 uur zou het binnen de geldende termijn ter griffie zijn ingediend (HR 16 februari 1996, NJ 1997,55 m.nt. HJS en HR 20 maart 1998, NJ 1998,548). 1.2 Verzoekster heeft echter niet voldaan aan de voorwaarde van art. 426b lid 1 Rv. Zij heeft evenmin de bestreden uitspraak en de stukken van het geding overgelegd, zodat de Hoge Raad noch kan vaststellen of het cassatieberoep tijdig is ingesteld, noch of het middel feitelijke grondslag vindt in de bestreden uitspraak en de gedingstukken (art. 429 lid 2 Rv in verband met art. 419 lid 2 Rv), waardoor het cassatieberoep niet-ontvankelijk is (HR 19 maart 1993, NJ 1993,303).
Uit de brief van A-G Langemeijer van 29 november 1999 (griffiedossier) volgt weliswaar dat het in de bedoeling lag van (de advocaat van) verzoekster het cassatieberoep in te trekken, maar dat is niet gebeurd. 2 Conclusie Ik concludeer tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekster tot cassatie in het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G i.b.d.