Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2000:AA6161 ECLI:NL:PHR:2000:AA6161 AI generated

ECLI:NL:PHR:2000:AA6161 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2000:AA6161
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Mr. Hartkamp Conclusie inzake nr. C98/288 HR [Eiseres] Sneek B.V. zitting 17 maart 2000 Tegen Het rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam Werkvoorzieningschap Binnen-hof Edelhoogachtbaar College, Onderdeel I van het tijdig voorgestelde, uit twee on-derdelen bestaande cassatiemiddel klaagt in zijn drie sub-onderdelen over r.o. 8 van het arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 26 mei 1998, waarin het hof het be-wijsaanbod van [eiser] als niet terzake dienend resp. onvoldoende gespecificeerd heeft gepasseerd. Ik meen dat deze klacht faalt.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:PHR:2000:AA6161 · Parket bij de Hoge Raad: Mr. Hartkamp Conclusie inzake nr. C98/288 HR [Eiseres] Sneek B.V. zitting 17 maart 2000 Tegen Het rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam Werkvoorzieningschap Binnen-hof Edelhoogachtbaar College, Onderdeel I van het tijdig voorgestelde, uit twee on-derdelen bestaande cassatiemiddel klaagt in zijn drie sub-onderdelen over r.o. 8 van het arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 26 mei 1998, waarin het hof het be-wijsaanbod van [eiser] als niet terzake dienend resp. onvoldoende gespecificeerd heeft gepasseerd. Ik meen dat deze klacht faalt.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Mr. Hartkamp Conclusie inzake nr. C98/288 HR [Eiseres] Sneek B.V. zitting 17 maart 2000 Tegen Het rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam Werkvoorzieningschap Binnen-hof Edelhoogachtbaar College, Onderdeel I van het tijdig voorgestelde, uit twee on-derdelen bestaande cassatiemiddel klaagt in zijn drie sub-onderdelen over r.o. 8 van het arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 26 mei 1998, waarin het hof het be-wijsaanbod van [eiser] als niet terzake dienend resp. onvoldoende gespecificeerd heeft gepasseerd. Ik meen dat deze klacht faalt.

Het hof heeft blijkens zijn r.o. 4 en 5 de door [eiser] geproduceerde stukken en argu-menten voor het bestaan van de gestelde overeenkomst kenne-lijk aangemerkt als volstrekt gespeend van realiteitsgehal-te (vgl. in iets ander verband A-G Koopmans voor HR 8 juli 1992, NJ 1992, 713) of, anders gezegd, als loze beweringen, zodat zij niet heeft voldaan aan haar stelplicht en het bewijsaanbod niet terzake dienend is. M.i. geeft die over-weging niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is zij geenszins onbegrijpelijk. Dat ook de motiveringsklachten van onderdeel II falen behoeft m.i. geen toelichting.

Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden (Advocaat-Generaal)