ECLI:NL:PHR:1997:14 · Parket bij de Hoge Raad
Legislator summary
AI generatedNr. 105.147 Zitting 20 mei 1997 mr Fokkens Conclusie inzake: [verdachte] Edelhoogachtbaar College, 1. Verzoeker is door het gerechtshof te 's-Hertogenbosch op 16 april 1996 terzake van opruiing, het voorhanden hebben van twee wapens en munitie en het voorhanden hebben van twee gasbusjes veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van twaalf maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk.
Legislator headnote
AI generatedart. 184 Sr, art. 51 Sv; ECLI:NL:PHR:1997:14 · Parket bij de Hoge Raad: Van enige onduidelijkheid of de handelingen waartoe verzoeker heeft aangespoord een strafbaar feit zouden opleveren is ook geen sprake: in ieder geval zouden die handelingen onder art. 184 Sr vallen. Dat zij mogelijk ook nog een ander strafbaar feit - bijv. openlijke geweldpleging - zouden kunnen opleveren is daarbij niet van belang. Het gaat erom dat duidelijk is dat is aangespoord tot handelingen die een strafbaar feit opleveren. Het middel faalt.
Keywords
AI generatedCited Legislation
AI generatedFull text
Nr. 105.147 Zitting 20 mei 1997 mr Fokkens Conclusie inzake: [verdachte] Edelhoogachtbaar College, 1. Verzoeker is door het gerechtshof te 's-Hertogenbosch op 16 april 1996 terzake van opruiing, het voorhanden hebben van twee wapens en munitie en het voorhanden hebben van twee gasbusjes veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van twaalf maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk.
2. Namens verzoeker heeft mr G. Spong, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte de inleidende dagvaarding voorzover betrekking hebbend op de onder 1 telastegelegde opruiing niet nietig heeft verklaard, nu daarin de woorden "tot enig strafbaar feit" niet feitelijk, nader zijn omschreven.
4. Bij de telastelegging van opruiing kan, zoals het middel terecht meent, niet worden volstaan met de omschrijving dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opruiing tot het plegen van enig strafbaar feit. De feitelijke handelingen waartoe is opgeruid, zullen moeten worden omschreven. Dat is in de onderhavige zaak ook geschied. Na de woorden "heeft hij verdachte" volgt een nadere feitelijke omschrijving van de handelingen waartoe verzoeker heeft aangespoord. Niet is echter vereist, zoals de steller van het middel kennelijk meent, dat in de telastelegging ook wordt vermeld welk/welke strafbaar feit/strafbare feiten de handelingen waartoe wordt opgeruid, oplevert/opleveren.
Van enige onduidelijkheid of de handelingen waartoe verzoeker heeft aangespoord een strafbaar feit zouden opleveren is ook geen sprake: in ieder geval zouden die handelingen onder art. 184 Sr vallen. Dat zij mogelijk ook nog een ander strafbaar feit - bijv. openlijke geweldpleging - zouden kunnen opleveren is daarbij niet van belang. Het gaat erom dat duidelijk is dat is aangespoord tot handelingen die een strafbaar feit opleveren. Het middel faalt.
5. Ambtshalve wil ik het volgende opmerken. In het dossier bevindt zich een door de president van het gerechtshof afgegeven last tot toevoeging van een raadsman. Niet blijkt dat aan de in de last genoemde raadsman een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep is toegezonden. Nu verdachte noch zijn raadsman in hoger beroep zijn verschenen en niet blijkt dat het hof heeft onderzocht of art. 51 Sv was nageleefd, dan wel of verzoeker er geen prijs op stelde ter terechtzitting te verschijnen of te worden bijgestaan door een raadsman, moet het genoemde verzuim leiden tot nietigheid van het onderzoek. Zie HR DD 92.215. Deze conclusie strekt er toe het bestreden arrest te vernietigen en de zaak ter verdere afdoening op het bestaande hoger beroep te verwijzen naar het gerechtshof te Arnhem. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,