Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:1983:AC8096 ECLI:NL:PHR:1983:AC8096 AI generated

ECLI:NL:PHR:1983:AC8096 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:1983:AC8096
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

n. Nr. 76.080 U Zitting 14 juni 1983 Mr. Leijten. Conclusie inzake: [verzoeker] Edelhoogachtbare Heren, In deze zaak - een cassatieberoep tegen de uitspraak van de rechtbank te Amsterdam van 26 april 1983, waarbij toelaatbaar werd verklaard de uitlevering ter vervolging aan de Duitse Bondsrepubliek van verzoeker - komt het bij pleidooi toegelichte middel van cassatie mij ondeugdelijk voor. Daarin wordt namelijk geponeerd, dat, nu de feiten waarvoor uitlevering wordt gevraagd ruim twee jaar geleden zijn gepleegd en verzoeker destijds reeds mede voor deze feiten is aangehouden, op grond van het Nederlands recht en van het Verdrag van Rome geen vervolging meer mogelijk is en dat daarom geen uitlevering van verzoeker gevraagd kan worden.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:PHR:1983:AC8096 · Parket bij de Hoge Raad: n. Nr. 76.080 U Zitting 14 juni 1983 Mr. Leijten. Conclusie inzake: [verzoeker] Edelhoogachtbare Heren, In deze zaak - een cassatieberoep tegen de uitspraak van de rechtbank te Amsterdam van 26 april 1983, waarbij toelaatbaar werd verklaard de uitlevering ter vervolging aan de Duitse Bondsrepubliek van verzoeker - komt het bij pleidooi toegelichte middel van cassatie mij ondeugdelijk voor. Daarin wordt namelijk geponeerd, dat, nu de feiten waarvoor uitlevering wordt gevraagd ruim twee jaar geleden zijn gepleegd en verzoeker destijds reeds mede voor deze feiten is aangehouden, op grond van het Nederlands recht en van het Verdrag van Rome geen vervolging meer mogelijk is en dat daarom geen uitlevering van verzoeker gevraagd kan worden.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

n. Nr. 76.080 U Zitting 14 juni 1983 Mr. Leijten. Conclusie inzake: [verzoeker] Edelhoogachtbare Heren, In deze zaak - een cassatieberoep tegen de uitspraak van de rechtbank te Amsterdam van 26 april 1983, waarbij toelaatbaar werd verklaard de uitlevering ter vervolging aan de Duitse Bondsrepubliek van verzoeker - komt het bij pleidooi toegelichte middel van cassatie mij ondeugdelijk voor. Daarin wordt namelijk geponeerd, dat, nu de feiten waarvoor uitlevering wordt gevraagd ruim twee jaar geleden zijn gepleegd en verzoeker destijds reeds mede voor deze feiten is aangehouden, op grond van het Nederlands recht en van het Verdrag van Rome geen vervolging meer mogelijk is en dat daarom geen uitlevering van verzoeker gevraagd kan worden.

Naar het mij voorkomt zal allereerst en vooral de rechter in de Duitse Bondsrepubliek moeten uitmaken of vervolging van verzoeker (nog) mogelijk is, terwijl bovendien (a) het Nederlands recht niet verbiedt tot vervolging over te gaan van een feit dat twee jaren geleden is gepleegd en waarvoor de verdachte toen is aangehouden, tenzij het feit van dien aard zou zijn, dat het verjaard was (overtreding) terwijl (b) het Verdrag van Rome aanhouding terzake van een strafbaar feit niet aanmerkt als het beginpunt van de "reasonable time" waarbinnen de gegrondheid van een tegen iemand ingestelde strafvervolging moet worden bepaald.

Naar interpretatie van de Nederlandse rechter immers is aanhouding zondermeer niet te beschouwen als een vanwege de staat jegens de betrokkene verrichtte handeling, waaruit deze in redelijkheid heeft kunnen opmaken dat het O.M. het ernstige voornemen heeft tegen hem een strafvervolging in te stellen (o.m. H.R. 6 januari 1981 N.J. 1981, 207 noot Th. W.v. V. ). En ook het Europese Hof voor de rechten van de mens, dat de termijn doet ingaan na "the official notification given to an individual by the competent authority of an allegation that he has committed a criminal offence" of in sommige gevallen na "other measures which carry the implication of such an allegation and which likewise substantially affect the situation of the suspect" (Corigiano en Foti case, beide van 10 december 1982) zal niet aan de aanhouding hebben gedacht als beginpunt van de termijn (zie ook pre-advies 1983, N.J.V. van E.P. von Brucken Fock, blz. 159).

Het middel niet gegrond achtend concludeer ik tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, Echter NJB, 4 juni 1983, aflev. 23, blz. 732 r.k., Mr. G.J. Wiarda, thans president van het Europese Hof voor de rechten van de mens: "In het door U gegeven voorbeeld zou het opmaken van het proces- verbaal begrepen kunnen worden als een "preliminary investigation", waaruit de betrokkene kan afleiden dat een strafvervolging tegen hem is ingezet."