Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:1983:AC7905 ECLI:NL:PHR:1983:AC7905 AI generated

ECLI:NL:PHR:1983:AC7905 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:1983:AC7905
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Eb Nr. 74.628 Zitting 1 februari 1983 Mr. Remmelink Conclusie inzake: [verdachte] Edelhoogachtbare Heren, In deze zaak waarin de Rechtbank requirant in appel heeft veroordeeld ter zake van het als leidinggever aansprakelijk zijn voor vijf overtredingen van de Rijtijdenwet enz. begaan door een (‘’zijn’’) rechtspersoon (waarbinnen door het personeel te lange rijtijden werden gemaakt) tot vijf geldboeten van telkens ƒ 4000,- (subsidiair telkens 16 dagen hechtenis), waarvan telkens ƒ 1500,- (subsidiair telkens 6 dagen hechtenis) voorwaardelijk (telkens proeftijd 2 jaar), tegen welk vonnis hij zich van beroep in cassatie heeft voorzien, is namens hem één middel van cassatie voorgesteld, waarin wordt aangevoerd, dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet zou kunnen volgen het bewijs, dat requirant als ‘’leidinggever’’ heeft gefungeerd.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:PHR:1983:AC7905 · Parket bij de Hoge Raad: Ik meen, dat het middel faalt, aangezien de Rechtbank zulks, gelijk zij naar aanleiding van een desbetreffend verweer ook nog heeft gesteld, heeft kunnen afleiden uit de omstandigheid, dat requirant heeft verklaard (zie p. 6 van het vonnis) als directeur het algemeen beleid te bepalen enz., en voorts de opvatting heeft geuit, dat de rijtijdenwetgeving met de eisen van de praktijk niet te verenigen zou zijn. Ik verwijs voor een en ander nog naar HR 2 maart 1982, NJ 1982, no. 446, waar Uw Raad er kennelijk ook mee accoord gaat, dat uit een algemene bevoegdheid en verantwoordelijkheid het leiding geven aan het concrete handelen van een rechtspersoon wordt afgeleid.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Eb Nr. 74.628 Zitting 1 februari 1983 Mr. Remmelink Conclusie inzake: [verdachte] Edelhoogachtbare Heren, In deze zaak waarin de Rechtbank requirant in appel heeft veroordeeld ter zake van het als leidinggever aansprakelijk zijn voor vijf overtredingen van de Rijtijdenwet enz. begaan door een (‘’zijn’’) rechtspersoon (waarbinnen door het personeel te lange rijtijden werden gemaakt) tot vijf geldboeten van telkens ƒ 4000,- (subsidiair telkens 16 dagen hechtenis), waarvan telkens ƒ 1500,- (subsidiair telkens 6 dagen hechtenis) voorwaardelijk (telkens proeftijd 2 jaar), tegen welk vonnis hij zich van beroep in cassatie heeft voorzien, is namens hem één middel van cassatie voorgesteld, waarin wordt aangevoerd, dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet zou kunnen volgen het bewijs, dat requirant als ‘’leidinggever’’ heeft gefungeerd.

Ik meen, dat het middel faalt, aangezien de Rechtbank zulks, gelijk zij naar aanleiding van een desbetreffend verweer ook nog heeft gesteld, heeft kunnen afleiden uit de omstandigheid, dat requirant heeft verklaard (zie p. 6 van het vonnis) als directeur het algemeen beleid te bepalen enz., en voorts de opvatting heeft geuit, dat de rijtijdenwetgeving met de eisen van de praktijk niet te verenigen zou zijn. Ik verwijs voor een en ander nog naar HR 2 maart 1982, NJ 1982, no. 446, waar Uw Raad er kennelijk ook mee accoord gaat, dat uit een algemene bevoegdheid en verantwoordelijkheid het leiding geven aan het concrete handelen van een rechtspersoon wordt afgeleid.

Vgl. in deze zin ook De Doelder en 't Hart, DD 1983, p.

45. Het middel niet aannemelijk achtend concludeer ik tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,