ECLI:NL:PHR:1944:1 · Parket bij de Hoge Raad
Legislator summary
AI generated"het komt mij voor, dat de omstandigheid, dat de Rechtbank een der procespartijen heeft toegelaten in persoon te verschijnen tot vernietiging van het vonnis zal moeten leiden, dat toch het beginsel van verplichte vertegenwoordiging van partijen algemeen geldt, en de wet voor den Griffier der Rechtbank daarop geen uitzondering heeft gemaakt; dat diens verschijning in rechte dan ook een geheel ander karakter draagt, dan dat van het Openbaar Ministerie ingevolge artt. 323 en 324 van genoemd Wetboek, hetwelk optreedt als hoofdpartij (cfr. H.R. 31 October 1929, W. 12084;
Legislator headnote
AI generatedECLI:NL:PHR:1944:1 · Parket bij de Hoge Raad: 323 en 324 van genoemd Wetboek, hetwelk optreedt als hoofdpartij (cfr. H.R. 31 October 1929, W. 12084;
Full text
"het komt mij voor, dat de omstandigheid, dat de Rechtbank een der procespartijen heeft toegelaten in persoon te verschijnen tot vernietiging van het vonnis zal moeten leiden, dat toch het beginsel van verplichte vertegenwoordiging van partijen algemeen geldt, en de wet voor den Griffier der Rechtbank daarop geen uitzondering heeft gemaakt; dat diens verschijning in rechte dan ook een geheel ander karakter draagt, dan dat van het Openbaar Ministerie ingevolge artt. 323 en 324 van genoemd Wetboek, hetwelk optreedt als hoofdpartij (cfr. H.R. 31 October 1929, W. 12084;
N.J. 1929, blz. 1693), en voor hetwelk vertegenwoordiging door een procureur niet noodzakelijk geacht moet worden, terwijl toch in een geval als het thans behandelde de Staat door zijn orgaan den Griffier als normale procespartij gedagvaard wordt en de Griffier ten deze niet optreedt ter handhaving van wetten; dat het wenschelijk is omtrent dit punt een beslissing van den Hoogen Raad uit te lokken, nu blijkt, dat de door de Arr.-Rechtbanken gevolgde praktijk niet dezelfde is, ten bewijze waarvan ik hierbij overleg een beslissing der Rechtbank te Rotterdam van 17 September 1943, welke een verzoek van zijn Griffier om zonder procureur te worden toegelaten tot zuivering van een tegen hem verleend verstek van de hand wees, op grond, dat de verweerder in een burgerlijk geding voor de Rechtbank slechts bij procureur kan verschijnen";