Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:1935:5 ECLI:NL:PHR:1935:5 AI generated

ECLI:NL:PHR:1935:5 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:1935:5
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

De Procureur-generaal bij den Hoogen Raad der Nederlanden; Gezien het verzoekschrift van [requestrant] strekkende tot vernietiging van een beschikking der Arr. Rechtbank te Amsterdam van 25 October 1935 en waarbij hij in een tegen [gerequestreerde] gericht verzoek tot wijziging van den naam, waaronder deze zijn zaak voert, niet-ontvankelijk is verklaard, bij welk verzoekschrift tegen deze beschikking vijf grieven worden aangevoerd; Overwegende, dat de grief onder a gegrond schijnt, daar art.6 der Handelsnaamwet, S. 1921, No.842, het recht om wijziging te vragen van een in strijd met de wet door een ander gevoerden handelsnaam, aan iederen belanghebbende toekent, zonder een uitzondering te maken voor een belanghebbende, die zelf een verboden handelsnaam voert, en dat daargelaten kan worden, of die ander wellicht zich met een dergelijk tegen den verzoeker gericht verzoek tot den Kantonrechter zou kunnen wenden;

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:PHR:1935:5 · Parket bij de Hoge Raad: Overwegende, dat dit laatste echter, nu de overige grieven gegrond zijn, niet van invloed kan zijn op den uitslag van het ingesteld beroep; Concludeert tot vernietiging der bestreden beschikking en tot verwijzing der zaak naar de Arrondissements-Rechtbank om met inachtneming van het door den Hoogen Raad te wijzen arrest te worden berecht en beslist. Parket, 16 December 1935.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

De Procureur-generaal bij den Hoogen Raad der Nederlanden; Gezien het verzoekschrift van [requestrant] strekkende tot vernietiging van een beschikking der Arr. Rechtbank te Amsterdam van 25 October 1935 en waarbij hij in een tegen [gerequestreerde] gericht verzoek tot wijziging van den naam, waaronder deze zijn zaak voert, niet-ontvankelijk is verklaard, bij welk verzoekschrift tegen deze beschikking vijf grieven worden aangevoerd; Overwegende, dat de grief onder a gegrond schijnt, daar art.6 der Handelsnaamwet, S. 1921, No.842, het recht om wijziging te vragen van een in strijd met de wet door een ander gevoerden handelsnaam, aan iederen belanghebbende toekent, zonder een uitzondering te maken voor een belanghebbende, die zelf een verboden handelsnaam voert, en dat daargelaten kan worden, of die ander wellicht zich met een dergelijk tegen den verzoeker gericht verzoek tot den Kantonrechter zou kunnen wenden;

Overwegende, dat ook de grief onder b gegrond voorkomt, omdat inderdaad door het te 's Gravenhage vestigen van het filiaal door [betrokkene 1] in het jaar 1925, toen aldaar de zaak van verzoeker al of niet rechtmatig onder den naam [A] (en Co) reeds gedreven werd, en door de voortzetting van dit filiaal onder den naam van [betrokkene 1] of [A] door [gerequestreerde] verwarring bij het publiek te duchten is; Overwegende, dat ook de grief onder C juist schijnt, daar de omstandigheid, dat de door [betrokkene 2] met zijn broeder [betrokkene 1] vroeger te Rotterdam gedreven zaak bij de ontbinding der tusschen hen bestaande vennootschap op 31 December 1911 niet aan eerstgenoemde zou zijn overgegaan, dezen niet-gelijk de Rechtbank meent-kon beletten om eenige jaren later onder zijn eigen naam te 's Gravenhage een zaak te beginnen, die later met den naam op anderen en ten slotte op verzoeker zou zijn overgedragen;

Overwegende, dat hetzelfde geldt van de grief onder d, welke welke in overeenstemming is met het in art. 3, lid 3, der Handelsnaamwet bepaalde, aangenomen, dat bedoelde zaak met den naam van [betrokkene 2] is overgedragen eerst aan diens weduwe, daarna aan [betrokkene 3] , die een en ander inracht in zijn vennootschap met verzoeker en eindelijk op verzoeker alleen; Overwegende, dat echter de grief onder e ongegrond schijnt, daar het reeds in 1923 overleden zijn van [betrokkene 2] niets kan afdoen aan den verkeerden indruk, die het hiermede niet noodzakelijkerwijs bekende publiek uit het bezigen van den naam [A] door den verzoeker kon krijgen, dat diens zaak geheel of gedeeltelijk aan zekeren [betrokkene 2] toebehoorde ;

Overwegende, dat dit laatste echter, nu de overige grieven gegrond zijn, niet van invloed kan zijn op den uitslag van het ingesteld beroep; Concludeert tot vernietiging der bestreden beschikking en tot verwijzing der zaak naar de Arrondissements-Rechtbank om met inachtneming van het door den Hoogen Raad te wijzen arrest te worden berecht en beslist. Parket, 16 December 1935.