ECLI:NL:PHR:1930:2 · Parket bij de Hoge Raad
Legislator summary
AI generatedNo 4576. Conclusie i/z .[X] Edele Hoog Achtbare Heeren Daar het geschil liep over de grootte van belanghebbende's geheele inkomen, kan de raad van Beroep m.i. de in het eerste middel bedoelde artikelen niet hebben geschonden door mede acht te slaan op feiten, welke partijen niet hebben aangevoerd. Het derde middel schijnt mij ongegrond, omdat vaststaat, dat belanghebbende niet op de bij de wet voorgeschreven wijze aangifte van zijn inkomen had gedaan, zoodat de Raad van Beroep overeenkomstig artikel 80 der Wet op de Inkomstenbelasting 1914 terecht heeft beslist, dat de aanslag moest worden gehandhaafd, tenzij belanghebbende aantoonde, dat en in hoever deze onjuist was, terwijl art. 81 der genoemde wet den Raad geenszins verplicht van de daarbij verleende bevoegdheid gebruik te maken. (H.
Legislator headnote
AI generatedECLI:NL:PHR:1930:2 · Parket bij de Hoge Raad: No 4576. Conclusie i/z .[X] Edele Hoog Achtbare Heeren Daar het geschil liep over de grootte van belanghebbende's geheele inkomen, kan de raad van Beroep m.i. de in het eerste middel bedoelde artikelen niet hebben geschonden door mede acht te slaan op feiten, welke partijen niet hebben aangevoerd. Het derde middel schijnt mij ongegrond, omdat vaststaat, dat belanghebbende niet op de bij de wet voorgeschreven wijze aangifte van zijn inkomen had gedaan, zoodat de Raad van Beroep overeenkomstig artikel 80 der Wet op de Inkomstenbelasting 1914 terecht heeft beslist, dat de aanslag moest worden gehandhaafd, tenzij belanghebbende aantoonde, dat en in hoever deze onjuist was, terwijl art. 81 der genoemde wet den Raad geenszins verplicht van de daarbij verleende bevoegdheid gebruik te maken. (H.
Full text
No 4576. Conclusie i/z .[X] Edele Hoog Achtbare Heeren Daar het geschil liep over de grootte van belanghebbende's geheele inkomen, kan de raad van Beroep m.i. de in het eerste middel bedoelde artikelen niet hebben geschonden door mede acht te slaan op feiten, welke partijen niet hebben aangevoerd. Het derde middel schijnt mij ongegrond, omdat vaststaat, dat belanghebbende niet op de bij de wet voorgeschreven wijze aangifte van zijn inkomen had gedaan, zoodat de Raad van Beroep overeenkomstig artikel 80 der Wet op de Inkomstenbelasting 1914 terecht heeft beslist, dat de aanslag moest worden gehandhaafd, tenzij belanghebbende aantoonde, dat en in hoever deze onjuist was, terwijl art. 81 der genoemde wet den Raad geenszins verplicht van de daarbij verleende bevoegdheid gebruik te maken. (H.
R. 15 Jan. 1930 No 4441) . Naar aanleiding van het tweede middel meen ik evenwel ambtshalve te moeten opmerken, dat de Raad bij zijne beslissing , dat belanghebbende niet heeft aangetoond, dat en in hoever de aanslag onjuist was, rekening heeft gehouden met de inkomsten der minderjarige kinderen van belanghebbende, zonder dat gebleken was, dat bedoelde kinderen die inkomsten niet verkrijgen door afzonderlijken arbeid en vlijt, zoodat niet zonder meer had mogen worden aangenomen, dat belanghebbende daarvan het vruchtgenot had. De beslissing is derhalve m.i. in zooverre niet behoorlijk met redenen omkleed, zoodat ik concludeer tot vernietiging der bestreden uitspraak en tot verwijzing van het geding naar den Raad van Beroep voor de Directe Belastingen I te Rotterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in voltallige vergadering met inachtneming van net door den Hoogen Raad te wijzen arrest 27 Maart 1930.
De Procureur Generaal bij den Hoogen Raad der Nederlanden.