Legislator Case Law & Legislation
2000/039 ECLI:NL:ORBBNAA:2001:BU3864 AI generated

2000/039 · Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)

Case Number 2000/039
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Beschikking van 8 augustus 2001, nr. 2000/039 DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN zitting houdende in Aruba, inzake: appellant tegen de Inspecteur der Belastingen 1. Het procesverloop. 1.1. Aan appellant is met dagtekening 25 september 1998 een aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1995 opgelegd naar een belastbaar inkomen van Af 99.952. 1.2. Appellant heeft tegen deze aanslag bezwaar gemaakt bij brief van 23 november 1998. Bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 25 november 1999, heeft de Inspecteur de aanslag verminderd tot een belastbaar inkomen van Af 99.481. 1.3. Bij op 26 januari 2000 ter griffie van de Raad binnengekomen beroepschrift is appellant van deze uitspraak in beroep gekomen. 1.4. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend. 1.5. Ter zitting van 23 november 2000 te Aruba zijn verschenen appellant alsmede de Inspecteur.

Legislator headnote

AI generated

2000/039 · Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba): De ontvankelijkheid van het beroep. Appellant kan in zijn beroep niet worden ontvangen, nu het beroepschrift niet binnen de daarvoor geldende termijn is ingediend. De uitspraak op het bezwaar dateert van 25 november 1999 en het beroepschrift is ter griffie ingekomen op 26 januari 2000. Appellant stelt dat ingevolge de Algemene termijnenverordening (AB 1999 no. 107) en het Landsbesluit met zondagen gelijkgestelde dagen (AB 1989 GT no. 74), gewijzigd bij AB 1992 no. 51, waarbij de Dia di Betico (25 januari) is gelijkgesteld met een zondag, de termijn liep tot 27 januari 2000.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Beschikking van 8 augustus 2001, nr. 2000/039 DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN zitting houdende in Aruba, inzake: appellant tegen de Inspecteur der Belastingen 1. Het procesverloop. 1.1. Aan appellant is met dagtekening 25 september 1998 een aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1995 opgelegd naar een belastbaar inkomen van Af 99.952. 1.2. Appellant heeft tegen deze aanslag bezwaar gemaakt bij brief van 23 november 1998. Bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 25 november 1999, heeft de Inspecteur de aanslag verminderd tot een belastbaar inkomen van Af 99.481. 1.3. Bij op 26 januari 2000 ter griffie van de Raad binnengekomen beroepschrift is appellant van deze uitspraak in beroep gekomen. 1.4. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend. 1.5. Ter zitting van 23 november 2000 te Aruba zijn verschenen appellant alsmede de Inspecteur.

2. De ontvankelijkheid van het beroep. Appellant kan in zijn beroep niet worden ontvangen, nu het beroepschrift niet binnen de daarvoor geldende termijn is ingediend. De uitspraak op het bezwaar dateert van 25 november 1999 en het beroepschrift is ter griffie ingekomen op 26 januari 2000. Appellant stelt dat ingevolge de Algemene termijnenverordening (AB 1999 no. 107) en het Landsbesluit met zondagen gelijkgestelde dagen (AB 1989 GT no. 74), gewijzigd bij AB 1992 no. 51, waarbij de Dia di Betico (25 januari) is gelijkgesteld met een zondag, de termijn liep tot 27 januari 2000.

Echter is de Algemene termijnenverordening nog niet in werking getreden, omdat zij (nog) niet op de vereiste wijze is afgekondigd. Deswege vindt verlenging van de wettelijke beroepstermijn van twee maanden niet plaats en is het beroep te laat ingesteld. Appellant heeft weliswaar gesteld dat hij de uitspraak eerst enkele dagen voor het verstrijken van de beroepstermijn heeft ontvangen, hetgeen de Inspecteur ontkent. De stelling dat de uitspraak werd ontvangen enkele dagen voor het verstrijken van de beroepstermijn is in het beroepschrift niet betrokken, daarin is gerept van een beschikking die later is ontvangen dan de dagtekening aangeeft.

De Raad houdt het er dan ook voor dat appellant voldoende gelegenheid heeft gehad om een – al of niet gemotiveerd – beroepschrift in te dienen. Uit het hiervoor overwogene volgt dat appellant niet in zijn beroep kan worden ontvangen.

3. Beslissing De Raad verklaart appellant niet ontvankelijk in het door hem ingestelde beroep. mrs. Van Gijn, Ilsink en Groeneveld