Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:ORBAACM:2022:62 ECLI:NL:ORBAACM:2022:62 AI generated

ECLI:NL:ORBAACM:2022:62 · Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Case Number ECLI:NL:ORBAACM:2022:62
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RAAD VAN BEROEP IN AMBTENARENZAKEN VAN CURAÇAO Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van [appellante] wonende te Curaçao, appellante, gemachtigde: mr. D.I. Doornbos, advocaat tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Curaçao (Gerecht) van 1 februari 2021, CUR202004266 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Minister van Onderwijs, Wetenschap, Cultuur en Sport, (hierna: de minister), gemachtigde: mr. J.G. Ricardo Beslissing De Raad van Beroep: vernietigt de aangevallen uitspraak; verklaart het bezwaar ontvankelijk; wijst de zaak terug naar het Gerecht om verder behandeld te worden; veroordeelt de minister tot betaling van de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep tot een bedrag van NAf 2.800, -, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:ORBAACM:2022:62 · Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba: Daarmee heeft het Gerecht niet onderkend dat uit artikel 41, eerste lid, van de RAr volgt dat een bezwaar dat binnen 30 dagen na de beslistermijn is ingediend, ontvankelijk is. Dit betekent in het geval van appellante dat zij vanaf het ontstaan van de weigering om te beschikken, vastgesteld op 15 oktober 2020, tot uiterlijk 14 november 2020 bezwaar kon maken. Het op 30 oktober 2020 ingediende bezwaar was tijdig zodat het Gerecht het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal. __________________________ ________________________ mr.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RAAD VAN BEROEP IN AMBTENARENZAKEN VAN CURAÇAO Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van [appellante] wonende te Curaçao, appellante, gemachtigde: mr. D.I. Doornbos, advocaat tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Curaçao (Gerecht) van 1 februari 2021, CUR202004266 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Minister van Onderwijs, Wetenschap, Cultuur en Sport, (hierna: de minister), gemachtigde: mr. J.G. Ricardo Beslissing De Raad van Beroep: vernietigt de aangevallen uitspraak; verklaart het bezwaar ontvankelijk; wijst de zaak terug naar het Gerecht om verder behandeld te worden; veroordeelt de minister tot betaling van de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep tot een bedrag van NAf 2.800, -, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Procesverloop Appellante heeft op 30 oktober 2020 bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beschikking op haar verzoek van 15 oktober 2019 om een benoemingsbesluit met de overeengekomen salarisschaal. Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Appellante heeft hoger beroep ingesteld bij de Raad. De Raad heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 juni 2022. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, vergezeld door R.G.

Römer van de Dienst Openbare Scholen (DOS). Zitting hadden mr. W.H. Bel, als voorzitter, en mr. J. Sybesma en mr. P. Klik als leden. Overwegingen Het Gerecht heeft onder verwijzing naar de vaste jurisprudentie terecht overwogen dat bij gebreke van een wettelijke beslistermijn een weigering om te beschikken ontstaat na verloop van een periode die ligt tussen de vier maanden en een jaar na het indienen van een verzoek om een beschikking. Het Gerecht heeft hieraan de conclusie verbonden dat appellante binnen een jaar bezwaar had moeten indienen tegen het uitblijven van de beschikking op haar verzoek.

Daarmee heeft het Gerecht niet onderkend dat uit artikel 41, eerste lid, van de RAr volgt dat een bezwaar dat binnen 30 dagen na de beslistermijn is ingediend, ontvankelijk is. Dit betekent in het geval van appellante dat zij vanaf het ontstaan van de weigering om te beschikken, vastgesteld op 15 oktober 2020, tot uiterlijk 14 november 2020 bezwaar kon maken. Het op 30 oktober 2020 ingediende bezwaar was tijdig zodat het Gerecht het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal. __________________________ ________________________ mr.

W.H. Bel, voorzitter mr. M.F.G. Maes, griffier