Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:ORBAACM:2022:48 ECLI:NL:ORBAACM:2022:48 AI generated

ECLI:NL:ORBAACM:2022:48 · Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Case Number ECLI:NL:ORBAACM:2022:48
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RAAD VAN BEROEP IN AMBTENARENZAKEN VAN CURAÇAO Uitspraak op het hoger beroep van: [Appellant], wonend in Curaçao, appellant, tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Curaçao (Gerecht) van 11 november 2020, CUR201904274 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de minister van Bestuur, Planning en Dienstverlening, geïntimeerde (hierna: de minister), gemachtigden: mr. S.M. Concincion-Quirindongo en mr. J.G. Ricardo, werkzaam voor de minister Procesverloop Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De minister heeft een contramemorie ingediend.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:ORBAACM:2022:48 · Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba: S.M. Concincion-Quirindongo en mr. J.G. Ricardo, werkzaam voor de minister Procesverloop Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De minister heeft een contramemorie ingediend.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:ORBAACM:2019:1
Regeling Ambtenarenrechtspraak 1951 (RAr 1951) Uitspraakdatum: 18 januari 2019 Zaaknummer: RvBAz CUR2016H00072 RAAD VAN BEROEP IN AMBTENARENZAKEN Zittingsplaats Curaçao Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in Curaçao, appellant, tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken, zittingsplaats Curaçao, van 19 augustus 2016, in zaak nr. GAZ 2015/76369, in het geding tussen: appellant, en de Minister van Bestuur, Planning en Dienstverlening, geïntimeerde, gemachtigde mr. J.G. Ricardo, werkzaam bij het Land. Procesverloop Bij ministeriële beschikking van 6 oktober 2015, zoals verbeterd bij ministeriële beschikking van 3 november 2015, heeft geïntimeerde aan appellant een maandelijkse toelage op zijn bezoldiging toegekend van 20% over de periodes van 1 januari 2009 tot 1 juni 2009 en van 1 januari 2010 tot 1 maart 2010 (het toelagebesluit).
ECLI:NL:ORBAACM:2020:31
RAAD VAN BEROEP IN AMBTENARENZAKEN VAN CURAÇAO Uitspraak op het verzoek om herziening vande uitspraak van de Raad van 18 januari 2019 in de zaak van: [verzoeker], wonend in Curaçao, verzoeker, en de Regering van Curaçao, de regering, gemachtigde: mr. S.M. Concincion-Quirindongo, werkzaam bij de regering. Procesverloop De Raad heeft op 18 januari 2019 uitspraak gedaan in het geding tussen partijen. Bij schrijven van 15 april 2019 heeft verzoeker de Raad verzocht deze uitspraak te herzien op de in dat verzoek vermelde gronden (het verzoek). Het verzoek is behandeld ter zitting van de Raad van 3 december 2020, waar verzoeker is verschenen in persoon.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RAAD VAN BEROEP IN AMBTENARENZAKEN VAN CURAÇAO Uitspraak op het hoger beroep van: [Appellant], wonend in Curaçao, appellant, tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Curaçao (Gerecht) van 11 november 2020, CUR201904274 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de minister van Bestuur, Planning en Dienstverlening, geïntimeerde (hierna: de minister), gemachtigden: mr. S.M. Concincion-Quirindongo en mr. J.G. Ricardo, werkzaam voor de minister Procesverloop Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De minister heeft een contramemorie ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld ter zitting van 24 maart 2022. Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Overwegingen Bij besluit van 16 oktober 2019 (bestreden besluit) heeft de minister, ter uitvoering van de uitspraak van de Raad van 18 januari 2019 (ECLI:NL:ORBAACM:2019:1), de hoogte van de aan appellant toegekende toelage over de periodes van 1 januari 2009 tot 1 juni 2009 en van 1 januari 2010 tot 1 maart 2010 gewijzigd van 20% naar 25%. Appellant heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt bij het Gerecht.

Het bezwaar van appellant zag, zakelijk weergegeven, op de ingangsdatum van de toelage die volgens appellant 1 december 2008 moet zijn en op het niet toekennen van een verhoging van de toelage naar 25% over de periode van 1 juni 2009 tot 1 januari 2010. Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het bezwaar ongegrond verklaard. Appellant komt in hoger beroep op tegen het oordeel van het Gerecht dat de Raad reeds bij de in 1 genoemde uitspraak van 18 januari 2019 een onherroepelijk oordeel heeft gegeven over de in bezwaar genoemde geschilpunten die als gevolg daarvan niet ten tweede male aan de rechter kunnen worden voorgelegd. 3.1.

Het Gerecht heeft met juistheid overwogen dat de Raad in zijn uitspraak van 18 januari 2019 reeds onherroepelijk heeft beslist over de hiervoor genoemde geschilpunten. Zo heeft de Raad onder 2 van die uitspraak overwogen dat hij ‘met het Gerecht van oordeel is dat er geen rechtsgrond is die appellant reeds per december 2008 aanspraak gaf op toekenning van de toelage, zoals door hem bepleit’. Verder heeft de Raad onder 3 overwogen dat de minister reeds op 21 maart 2011 aan appellant een toelage had toegekend over de periode van 1 juni 2009 tot 1 januari 2010 ter hoogte van 20% van de bezoldiging van appellant.

‘Daarmee staat die beschikking in rechte vast’, aldus de Raad. 3.2. Uit 3.1 volgt dat de Raad over de door appellant aangedragen geschilpunten reeds onherroepelijk heeft beslist. Bovendien is het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 18 januari 2019 door de Raad op 16 december 2020 afgewezen (ECLI:NL:ORBAACM:2020:31). 3.3. De slotsom is dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4. Voor het toekennen van een vergoeding van de gestelde materiële en immateriële schade of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Raad: bevestigt de aangevallen uitspraak; wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af. Aldus gegeven door mr. W.H. Bel, voorzitter, mr. L.J.J. Rogier en mr. A.P. van der Pluijm-Vrede, leden, en uitgesproken in het openbaar op 6 april 2022 in tegenwoordigheid van de griffier.