Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:OGHACMB:2025:261 ECLI:NL:OGHACMB:2025:261 AI generated

ECLI:NL:OGHACMB:2025:261 · Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Case Number ECLI:NL:OGHACMB:2025:261
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

AUA2025H00115 Datum uitspraak: 5 november 2025 gemeenschappelijk hof van jusTitie van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in Aruba, appellant, tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) van 23 april 2025 in zaak nr. AUA202303165, in het geding tussen: appellant en de minister van Justitie, Integratie en Openbaar Vervoer (hierna: de minister) Procesverloop Op 9 oktober 2020 heeft appellant de minister op grond van de Landsverordening openbaarheid van bestuur (hierna: de Lob) verzocht om openbaarmaking van documenten (hierna:

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:OGHACMB:2025:261 · Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba: Na bezwaar en beroep tegen fictieve afwijzende beschikkingen heeft de minister op 22 december 2022 alsnog op het Lob-verzoek besloten. De minister heeft het verzoek afgewezen omdat appellant onvoldoende kenbaar heeft gemaakt om welke documenten hij verzoekt en wat zijn belang is bij dat verzoek. Appellant heeft tegen de beschikking van 22 december 2022 bezwaar gemaakt op 1 februari 2023 door te e-mailen naar bid@aruba.gov.aw. Op 11 september 2023 heeft hij tegen de beschikking van 22 december 2022 beroep ingesteld. Daarbij heeft hij vermeld dat zijn eerdere e-mail met (voorlopig) bezwaarschrift bij nader inzien als een beroepschrift aangemerkt moet worden.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:OGEAA:2021:646
Uitspraak van 1 november 2021 Lar nr.
ECLI:NL:OGEAA:2024:195
Uitspraak van 21 augustus 2024 Lar nr.
ECLI:NL:CBB:2024:31
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 22/1049 uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht van de grote kamer van 30 januari 2024 in de zaak tussen Black Label Hotel Valkenburg B.V., te Maastricht (de onderneming) (gemachtigde: mr. F.M.C. van Helmond) en de minister van Economische Zaken en Klimaat (gemachtigden: mr. M.J.H. van der Burgt en mr. E. Slot) Procesverloop Met het besluit van 5 januari 2022 (het vaststellingsbesluit) heeft de minister de aan de onderneming op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) verleende subsidie voor het eerste kwartaal van 2021 vastgesteld op € 45.514,10,- en een bedrag van € 47.950,82 aan teveel betaalde voorschotten teruggevorderd.
ECLI:NL:OGHACMB:2024:14
AUA2023H00102 Datum uitspraak: 14 februari 2024 gemeenschappelijk hof van jusTitie van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend in Aruba, appellante, tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) van 26 april 2023 in zaak nr. AUA202300319, in het geding tussen: appellante en het hoofd van de Dienst Burgerlijke Stand en Bevolkingsregister (hierna: DBSB) Procesverloop Bij beschikking gedagtekend op 24 maart 2021 heeft DBSB een verzoek van [appellante] om een in Venezuela gesloten huwelijk in te schrijven in het bevolkingsregister, afgewezen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

AUA2025H00115 Datum uitspraak: 5 november 2025 gemeenschappelijk hof van jusTitie van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in Aruba, appellant, tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) van 23 april 2025 in zaak nr. AUA202303165, in het geding tussen: appellant en de minister van Justitie, Integratie en Openbaar Vervoer (hierna: de minister) Procesverloop Op 9 oktober 2020 heeft appellant de minister op grond van de Landsverordening openbaarheid van bestuur (hierna: de Lob) verzocht om openbaarmaking van documenten (hierna:

Lob-verzoek). Op 25 november 2020 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het met een afwijzende beschikking gelijkgestelde uitblijven van een beschikking op zijn Lob-verzoek (hierna: de fictieve afwijzing). Op 8 april 2021 heeft appellant beroep ingesteld tegen het met een afwijzende beschikking gelijkgestelde uitblijven van een beschikking op zijn bezwaar tegen de fictieve afwijzing. Bij uitspraak van 1 november 2021 heeft het Gerecht dat beroep gegrond verklaard (ECLI:NL:OGEAA:2021:646). Bij beschikking van 22 december 2022 heeft de minister het Lob-verzoek afgewezen (hierna: de bestreden beschikking).

Op 1 februari 2023 heeft appellant een bezwaarschrift ingediend tegen de beschikking van 22 december 2022. Op 11 september 2023 heeft appellant beroep ingesteld tegen de beschikking van 22 december 2022. Bij uitspraak van 23 april 2025 heeft het Gerecht dat beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Het Hof heeft de zaak op een zitting behandeld op 9 oktober 2025. De minister werd vertegenwoordigd door mr. P. Bruns. Overwegingen Inleiding 1. Appellant heeft de minister op 9 oktober 2020 verzocht om openbaarmaking van documenten waaruit blijkt welke criteria de toelatingsorganisatie DIMAS hanteert bij het selecteren van beschermingsverzoeken die in aanmerking komen voor een behandeling binnen 28 dagen.

Na bezwaar en beroep tegen fictieve afwijzende beschikkingen heeft de minister op 22 december 2022 alsnog op het Lob-verzoek besloten. De minister heeft het verzoek afgewezen omdat appellant onvoldoende kenbaar heeft gemaakt om welke documenten hij verzoekt en wat zijn belang is bij dat verzoek. Appellant heeft tegen de beschikking van 22 december 2022 bezwaar gemaakt op 1 februari 2023 door te e-mailen naar bid@aruba.gov.aw. Op 11 september 2023 heeft hij tegen de beschikking van 22 december 2022 beroep ingesteld. Daarbij heeft hij vermeld dat zijn eerdere e-mail met (voorlopig) bezwaarschrift bij nader inzien als een beroepschrift aangemerkt moet worden.

De uitspraak van het Gerecht 2. Het Gerecht heeft geoordeeld dat appellant tevergeefs heeft aangevoerd dat op het Bureau Interne Diensten (hierna: BID) de plicht rustte om de e-mail van 1 februari 2023 door te zenden naar het Gerecht. Daarbij heeft het Gerecht verwezen naar zijn eerdere uitspraak van 21 augustus 2024, ECLI:NL:OGEAA:2024:195. Appellant was bij die zaak betrokken als procesgemachtigde en in die uitspraak is uiteengezet dat het BID geen stukken per e-mail aanneemt. Het beroep is, zo begrijpt het Hof het Gerecht, te laat ingesteld en er is niet gebleken van feiten of omstandigheden die aanleiding geven voor het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht.

Hoger beroep 3. Appellant betoogt in hoger beroep dat het Gerecht het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden door uitspraak te doen zonder hem eerst nog expliciet in de gelegenheid te stellen om zich uit te laten over de volgens hem nieuwe lijn dat er geen stukken meer naar het BID verzonden mogen worden. Het Hof volgt appellant hierin niet. Deze lijn is namelijk niet nieuw, aangezien het Gerecht dit al op 21 augustus 2024 overwoog naar aanleiding van een beroep waarbij appellant bovendien als procesgemachtigde was betrokken. Daarnaast blijkt uit de gedingstukken dat het BID al in 2022 aan appellant heeft laten weten geen verzoeken via e-mail aan te nemen. 3.1.

Appellant betoogt in hoger beroep verder dat 1 februari 2023 moet worden aangemerkt als de datum van het indienen van het beroepschrift. Dat is de datum waarop hij een onbevoegd bestuursorgaan heeft aangeschreven en die datum is volgens hem bepalend in het licht van de verruimde jurisprudentie over de verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding. Dit betoog slaat evenmin. Nog daargelaten dat het BID (zelf) geen bestuursorgaan is, geldt de datum waarop een geschrift bij een onbevoegd orgaan is ingediend niet als datum waarop een rechtsmiddel is aangewend in geval van kennelijk onredelijk gebruik of zelfs misbruik van procesrecht.

De verruimde jurisprudentie zoals neergelegd in de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, en in de uitspraak van het Hof van 14 februari 2024, ECLI:NL:OGHACMB:2024:14, baat appellant niet. Uit die uitspraken volgt onder meer dat een termijnoverschrijding niet verschoonbaar is als deze aan de indiener kan worden toegerekend. Die situatie doet zich hier voor, omdat appellant op 1 februari 2023 wist dat hij geen rechtsmiddelen kan instellen door te e-mailen naar bid@aruba.gov.aw. Conclusie 4.

Het hoger beroep slaagt niet. De uitspraak van het Gerecht wordt bevestigd. Beslissing Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. T.G.M. Simons en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Buntjer, griffier. w.g. Drop voorzitter w.g. Buntjer griffier Uitgesproken in het openbaar op 5 november 2025.