Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:OGHACMB:2022:210 ECLI:NL:OGHACMB:2022:210 AI generated

ECLI:NL:OGHACMB:2022:210 · Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Case Number ECLI:NL:OGHACMB:2022:210
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

het Openbaar Ministerie van Curaçao, hierna: OM, 2. de Staat der Nederlanden (Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie en Veiligheid), hierna IND, 3. de Minister van Justitie van Curaçao, 4. het Hoofd Burgerlijke Stand en Bevolkingsregister (basisregistratie persoonsgegevens) van Curaçao. 1Verder verloop van de procedure 1.1. Het Hof verwijst voor het verloop tot dan toe naar zijn tussenbeschikkingen van 26 maart 2021 en 4 mei 2021. 1.1 Op 25 februari 2022 (ECLI:NL:HR:2022:332) heeft de Hoge Raad een prejudiciële beslissing genomen naar aanleiding van de door het Hof bij beschikking van 4 mei 2021 (ECLI:NL:OGHACMB:2021:109) gestelde prejudiciële vraag. 1.2 Op 22 maart 2022 heeft verzoekster een akte uitlating n.a.v. prejudiciële beslissing genomen strekkende tot handhaving van haar verzoek. 1.2.

Legislator headnote

AI generated

Art. 1:209 BW, artikel 1:209 BW; ECLI:NL:OGHACMB:2022:210 · Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba: Het strookt met de tekst en de strekking van art. 1:209 BW dat in een geval zoals het onderhavige alleen de buitenlandse geboorteakte als geboorteakte in de zin van art. 1:209 BW wordt aangemerkt. 3.4 Het antwoord op de prejudiciële vraag luidt derhalve dat de term ‘geboorteakte’ in de zinsnede ‘afstamming volgens zijn geboorteakte’ in art. 1:209 BW – in het geval een kind in het buitenland is geboren en erkend – ziet op de oorspronkelijke geboorteakte die zich in het buitenland bevindt. 2.2 Verzoekster is in 1975 erkend in de Dominicaanse Republiek door een man die de nationaliteit van Puerto Rico, en dus de Amerikaanse nationaliteit, had.

Keywords

AI generated
Art. 1:209 BW artikel 1:209 BW

Cited Legislation

AI generated
Art. 1:209 BW
2Beoordeling 2.1 De Hoge Raad heeft de prejudiciële vraag van het Hof aldus beantwoord: 3.1 Art. 1:209 BW bepaalt dat iemands afstamming volgens zijn geboorteakte door een ander niet kan worden betwist, indien hij een staat overeenkomstig die akte heeft.
artikel 1:209 BW
2.5 Tussen de staat volgens de wet en de staat volgens de geboorteakte bestaat derhalve geen discrepantie, zodat artikel 1:209 BW (bescherming van bezit van staat) niet van toepassing is.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2022:332
De prejudiciële procedure Bij tussenbeschikking in de zaak CUR2020H00143 van 4 mei 2021 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint-Eustatius en Saba op de voet van art. 1b Rijkswet rechtsmacht Hoge Raad voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad gesteld. De Staat heeft schriftelijke opmerkingen ingediend. Namens verzoekster zijn door O.E. Kostrzewski, advocaat bij het Gemeenschappelijk Hof, uitlatingen ingediend op de schriftelijke opmerkingen van de Staat.
ECLI:NL:OGHACMB:2021:109
het Openbaar Ministerie van Curaçao, hierna: OM, 2.
ECLI:NL:HR:2019:2036
Is het juist dat indien de Nederlandse gehuwde man zijn gewone verblijfplaats heeft in het land waar hij het kind op regelmatige wijze heeft erkend, deze erkenning naar het internationaal privaatrecht van Curaçao zonder meer kan worden erkend en tot het Nederlanderschap leidt? 2. Indien vóór 15 januari 2001 (tijdstip van vervallen van het wettelijk verbod van erkenning door de gehuwde man in Curaçao, Sint Maarten en op de BES-eilanden) dan wel 1 januari 2002 (toen dat in Aruba gebeurde) het wettelijk verbod in een concreet geval buiten toepassing moet blijven wegens strijd met artikel 8 EVRM, leidt dat dan tot het Nederlanderschap? 3.
ECLI:NL:HR:2007:BB5084
Het geding in feitelijke instanties Met een op 4 oktober 2005 ter griffie van de rechtbank Almelo ingediend verzoekschrift heeft [verweerster] zich gewend tot die rechtbank en verzocht, kort gezegd, de door haar gedane betwisting van afstamming van [verzoeker] gegrond te verklaren, te bepalen dat [verzoeker] geen kind is van [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) maar van [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) en de ambtenaar van de burgerlijke stand te gelasten de uitspraak, zodra deze in kracht van gewijsde is gegaan, in de registers in te schrijven. [Verzoeker] heeft het verzoek bestreden.
ECLI:NL:HR:2003:AI0360
Het geding in feitelijke instanties Met een op 18 mei 1998 ter griffie van het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, hierna: het gerecht, ingediend verzoekschrift hebben verzoekers tot cassatie - verder te noemen: [verzoeker] c.s. - zich in een procedure tegen (1) de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand van Aruba en (2) verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - gewend tot dat gerecht en verzocht de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand, verder te noemen: de ambtenaar, te gelasten de kantmelding in het geboorteregister van Aruba van 1946 onder nummer 434 door te halen in dier voege dat komt vast te staan dat [verweerder] géén erkend kind is van wijlen [betrokkene 1], en voor recht te verklaren dat voor het geval deze doorhaling door de ambtenaar is verricht, [verweerder] geen rechten heeft of kan doen gelden ten aanzien van de nalatenschap van [betrokkene 1] en [betrokkene 2], kosten rechtens.
ECLI:NL:HR:2012:BU9884
Het geding in feitelijke instantie Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikkingen in de zaak 319089/HA RK 08-914 van de rechtbank 's-Gravenhage van 1 oktober 2009, 1 april 2010, 15 juli 2010 en 20 januari 2011; De beschikkingen van de rechtbank zijn aan deze beschikking gehecht.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

BURGERLIJKE ZAKEN 2022 BESCHIKKING NO. Registratienr.: CUR2020H00143 Uitspraak: 16 augustus 2022 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Eindbeschikking in de zaak van: [Verzoekster], wonend in Curaçao, te dezen woonplaats gekozen hebbend ten kantore van haar gemachtigde, verzoekster tot vaststelling van het Nederlanderschap, gemachtigde: mr. O.E. Kostrzewski, belanghebbenden:

1. het Openbaar Ministerie van Curaçao, hierna: OM, 2. de Staat der Nederlanden (Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie en Veiligheid), hierna IND, 3. de Minister van Justitie van Curaçao, 4. het Hoofd Burgerlijke Stand en Bevolkingsregister (basisregistratie persoonsgegevens) van Curaçao. 1Verder verloop van de procedure 1.1. Het Hof verwijst voor het verloop tot dan toe naar zijn tussenbeschikkingen van 26 maart 2021 en 4 mei 2021. 1.1 Op 25 februari 2022 (ECLI:NL:HR:2022:332) heeft de Hoge Raad een prejudiciële beslissing genomen naar aanleiding van de door het Hof bij beschikking van 4 mei 2021 (ECLI:NL:OGHACMB:2021:109) gestelde prejudiciële vraag. 1.2 Op 22 maart 2022 heeft verzoekster een akte uitlating n.a.v. prejudiciële beslissing genomen strekkende tot handhaving van haar verzoek. 1.2.

Beschikking is nader bepaald op heden. 2Beoordeling 2.1 De Hoge Raad heeft de prejudiciële vraag van het Hof aldus beantwoord: 3.1 Art. 1:209 BW bepaalt dat iemands afstamming volgens zijn geboorteakte door een ander niet kan worden betwist, indien hij een staat overeenkomstig die akte heeft. Art. 1:209 BW is gelijkluidend aan art. 1:209 van het voor Sint Eustatius geldende BW (hierna: BW-BES). Het strookt met het in art. 39 lid 1 Statuut voor het Koninkrijk neergelegde concordantiebeginsel, dat ertoe strekt het burgerlijk recht binnen het Koninkrijk zoveel mogelijk op overeenkomstige wijze te regelen, om voor de uitleg van art. 1:209 BW-BES aan te sluiten bij de uitleg van art. 1:209 BW. 3.2 Er is sprake van zogenoemd bezit van staat in de zin van art. 1:209 BW indien de wijze waarop iemand met een zekere duurzaamheid aan het maatschappelijk verkeer deelneemt, naar zijn uiterlijke vorm erop duidt dat hij in een bepaalde familiebetrekking staat tot een ander.[noot 2:

Zie o.a. HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2036, rov. 2.8.1, HR 21 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB5084, rov. 3.5 en HR 7 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0360, rov. 3.4.] Bezit van staat beoogt rechtszekerheid en bescherming van het belang van het kind te bieden.[noot 3: HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2036, rov. 2.8.2 en HR 9 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9884, rov. 5.3.6.] Deze rechtszekerheid en bescherming strekken zich mede uit tot buitenlandse geboorteaktes waaraan een gebrek kleeft.[noot 4: Vgl. HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2036, rov. 2.8.2, HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:186, rov. 3.5 en HR 9 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9884, rov. 5.3.6.] 3.3 Noch uit de tekst noch uit de parlementaire geschiedenis van art. 1:209 BW blijkt dat de wetgever de term geboorteakte in deze bepaling heeft willen uitbreiden naar latere afzonderlijke akten houdende erkenning indien de afstamming reeds volledig uit de binnen- of buitenlandse geboorteakte blijkt.

Het strookt met de tekst en de strekking van art. 1:209 BW dat in een geval zoals het onderhavige alleen de buitenlandse geboorteakte als geboorteakte in de zin van art. 1:209 BW wordt aangemerkt. 3.4 Het antwoord op de prejudiciële vraag luidt derhalve dat de term ‘geboorteakte’ in de zinsnede ‘afstamming volgens zijn geboorteakte’ in art. 1:209 BW – in het geval een kind in het buitenland is geboren en erkend – ziet op de oorspronkelijke geboorteakte die zich in het buitenland bevindt. 2.2 Verzoekster is in 1975 erkend in de Dominicaanse Republiek door een man die de nationaliteit van Puerto Rico, en dus de Amerikaanse nationaliteit, had.

Deze erkenning is aangetekend op de geboorteakte van verzoekster. Verzoekster is in 1983 opnieuw erkend in Sint Eustatius door de Nederlandse echtgenoot van haar moeder. 2.3 Deze tweede erkenning is nietig aangezien een kind dat al een vader heeft niet kan worden erkend. Volgens de wet is dus de man die de Amerikaanse nationaliteit had de vader van verzoekster. 2.4 Volgens de oorspronkelijke geboorteakte in de Dominicaanse Republiek, die blijkens het antwoord op de prejudiciële vraag de ‘geboorteakte’ is in de zinsnede ‘afstamming volgens zijn geboorteakte’ in art. 1:209 BW, is man die de Amerikaanse nationaliteit had de vader. 2.5 Tussen de staat volgens de wet en de staat volgens de geboorteakte bestaat derhalve geen discrepantie, zodat artikel 1:209 BW (bescherming van bezit van staat) niet van toepassing is. 2.6 Het verzoek moet dan ook worden afgewezen. 2.7 Het Hof voegt ambtshalve toe dat blijkens het antwoord van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2022:331) op de eerste door het Hof in een nadere zaak gestelde prejudiciële vraag, voor de autoriteiten geen begrenzing in de tijd geldt om het Nederlanderschap te betwisten. 3Beslissing Het Hof wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J. de Boer, M.W. Scholte en F.W.J. Meijer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en – bij afwezigheid van de voorzitter door mr. Meijer ondertekend, ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao op 16 augustus 2022 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.