Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:OGHACMB:2022:208 ECLI:NL:OGHACMB:2022:208 AI generated

ECLI:NL:OGHACMB:2022:208 · Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Case Number ECLI:NL:OGHACMB:2022:208
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

BURGERLIJKE ZAKEN 2022 Registratienr.: AUA2021H00010 Uitspraak: 20 september 2022 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Beschikking in de zaak van: In de zaak van: [verzoekster], wonende in Aruba, verzoekster, gemachtigde: mr. D.G. Croes, belanghebbenden:

Legislator headnote

AI generated

art. 8 EVRM, art. 1:209 BW; ECLI:NL:OGHACMB:2022:208 · Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba: Het is aan de wetgever om te beslissen of een dergelijke ingrijpende inbreuk op het stelsel van de RWN gerechtvaardigd is en, zo ja, op welke wijze deze vorm dient te krijgen. 3.13.5 Op grond van het vorenstaande moet worden aangenomen dat de erkenning van verzoeker door de man noch ten tijde van die erkenning, noch op enig tijdstip nadien tot gevolg heeft gehad dat verzoeker ingevolge art. 4 (oud en huidig) RWN het Nederlanderschap heeft verkregen. 2.6 Op 28 april 1998 is de vader gescheiden van zijn toenmalige echtgenote. Aangenomen moet worden dat naar Arubaans recht de nietige erkenning daarmee bekrachtigd werd en dat daardoor het Nederlanderschap werd verkregen met ingang van de dag van de erkenning.

Keywords

AI generated
art. 8 EVRM art. 1:209 BW

Cited Legislation

AI generated
art. 8 EVRM
Zie de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2036: (…) Ook indien art. 8 EVRM ertoe dwingt om in een concreet geval het ongeclausuleerde erkenningsverbod van art.
art. 1:209 BW
Zie de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2036: 2.8.1 Art. 1:209 BWC (gelijkluidend aan art.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2019:2036
Is het juist dat indien de Nederlandse gehuwde man zijn gewone verblijfplaats heeft in het land waar hij het kind op regelmatige wijze heeft erkend, deze erkenning naar het internationaal privaatrecht van Curaçao zonder meer kan worden erkend en tot het Nederlanderschap leidt? 2. Indien vóór 15 januari 2001 (tijdstip van vervallen van het wettelijk verbod van erkenning door de gehuwde man in Curaçao, Sint Maarten en op de BES-eilanden) dan wel 1 januari 2002 (toen dat in Aruba gebeurde) het wettelijk verbod in een concreet geval buiten toepassing moet blijven wegens strijd met artikel 8 EVRM, leidt dat dan tot het Nederlanderschap? 3.
ECLI:NL:HR:2018:59
19 januari 2018 Eerste Kamer 17/02344 LZ/IF Hoge Raad der Nederlanden Prejudiciële beslissing in de zaak van: [verzoeker],wonende te Sint Maarten, VERZOEKER in hoger beroep, niet verschenen in de prejudiciële procedure. t e g e n 1. het OPENBAAR MINISTERIE,zetelende te Philipsburg, Sint Maarten, niet verschenen in de prejudiciële procedure, 2. de STAAT DER NEDERLANDEN (Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Veiligheid en Justitie),zetelende te Den Haag, advocaat: mr. M.M. van Asperen, 3. de MINISTER VAN JUSTITIE,zetelende te Philipsburg, Sint Maarten, 4. de MINISTER VAN ALGEMENE ZAKEN,zetelende te Philipsburg, Sint Maarten, 5. het HOOFD VAN DE BASISADMINISTRATIE PERSOONSGEGEVENS,zetelende te Philipsburg, Sint Maarten, BELANGHEBBENDEN in hoger beroep, niet verschenen in de prejudiciële procedure. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als verzoeker en het Openbaar Ministerie c.s. Verweerder sub 2 zal worden aangeduid als de Staat.
ECLI:NL:HR:2015:179
30 januari 2015 Eerste Kamer nr.
ECLI:NL:HR:2015:186
30 januari 2015 Eerste Kamer nr.
ECLI:NL:HR:2007:BB5084
Het geding in feitelijke instanties Met een op 4 oktober 2005 ter griffie van de rechtbank Almelo ingediend verzoekschrift heeft [verweerster] zich gewend tot die rechtbank en verzocht, kort gezegd, de door haar gedane betwisting van afstamming van [verzoeker] gegrond te verklaren, te bepalen dat [verzoeker] geen kind is van [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) maar van [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) en de ambtenaar van de burgerlijke stand te gelasten de uitspraak, zodra deze in kracht van gewijsde is gegaan, in de registers in te schrijven. [Verzoeker] heeft het verzoek bestreden.
ECLI:NL:HR:2012:BU9884
Het geding in feitelijke instantie Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikkingen in de zaak 319089/HA RK 08-914 van de rechtbank 's-Gravenhage van 1 oktober 2009, 1 april 2010, 15 juli 2010 en 20 januari 2011; De beschikkingen van de rechtbank zijn aan deze beschikking gehecht.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

BURGERLIJKE ZAKEN 2022 Registratienr.: AUA2021H00010 Uitspraak: 20 september 2022 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Beschikking in de zaak van: In de zaak van: [verzoekster], wonende in Aruba, verzoekster, gemachtigde: mr. D.G. Croes, belanghebbenden:

3. de Minister belast met Vreemdelingenzaken van Aruba, 4. de Minister belast met Justitie van Aruba, 5. het Openbaar Ministerie van Aruba, 6. het Hoofd Bureau Burgerlijke Stand en Bevolkingsregister van Aruba. 1Verloop van de procedure 1.1. Bij op 11 januari 2021 ingekomen verzoekschrift ingevolge artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: RWN), met producties, heeft verzoekster aan het Hof verzocht vast te stellen dat zij de Nederlandse nationaliteit bezit, met veroordeling van de Staat der Nederlanden in de kosten. 1.2. Bij conclusie van 14 juni 2022 van het Openbaar Ministerie van Aruba, met bijlagen waaronder een advies van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van het Nederlandse Ministerie van Justitie en Veiligheid d.d. 26 april 2022, is geconcludeerd tot toewijzing van het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap en afwijzing van het verzoek tot kostenveroordeling. 1.3.

Op 22 augustus 2022 heeft een mondelinge behandeling plaats gevonden. Verzoekster is verschenen, vergezeld van haar gemachtigde en haar ouders. 1.4. Ter zitting is een heden uit te spreken beschikking aangezegd. 2Beoordeling 2.1 Niet aan de orde in deze zaak is of verzoeksters Colombiaanse geslachtsnaam [geslachtsnaam] naar ongeschreven regels van Arubaans internationaal privaatrecht in Aruba moet worden erkend. 2.2 Verzoekster is geboren op [geboortedatum] 1992 in Colombia uit een Colombiaanse moeder. 2.3 Verzoekster is op 23 april 1992 erkend door een Nederlandse vader.

Deze vader is ook haar biologische vader. Aangezien de vader ten tijde van de erkenning gehuwd was met een andere vrouw dan de moeder van verzoekster was de erkenning naar het destijds geldende Arubaanse recht nietig (art. 330 lid 1, aanhef en onder b, [oud] Burgerlijk Wetboek van Aruba). De erkenning was wel geldig naar Colombiaans recht. 2.4 Deze naar Arubaans recht nietige erkenning leidde niet tot verkrijging van het Nederlanderschap, ook al bestond er ter zake beschermenswaardig ‘family life’ of ‘private life’ als bedoeld in artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Zie de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2036: (…) Ook indien art. 8 EVRM ertoe dwingt om in een concreet geval het ongeclausuleerde erkenningsverbod van art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud) buiten toepassing te laten, leidt dat naar huidig recht niet ertoe dat aan een in het buitenland verrichte erkenning die in strijd met dat erkenningsverbod is gedaan, op enig tijdstip het rechtsgevolg is verbonden van de verkrijging van het Nederlanderschap ingevolge art. 4 (oud en huidig) RWN. 2.5 Dat per 1 januari 2002 het ongeclausuleerde erkenningsverbod in Aruba is komen te vervallen is, maakt het voorgaande niet anders, zoals voor Sint Maarten is beslist in de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 19 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:59: 3.13.4 Mede gelet op het belang van de rechtszekerheid dat wordt gediend door het stelsel van de RWN (…), gaat het de rechtsvormende taak van de Hoge Raad te buiten om te beslissen in hoeverre de (…) wetswijziging en de gevolgen die daaraan zijn verbonden voor de invulling van de weigeringsgrond van de openbare orde (…), kunnen meebrengen dat de erkenning van verzoeker door de man (op 6 juni 1990) tot gevolg heeft gehad dat verzoeker ingevolge art. 4 (oud en huidig) RWN alsnog het Nederlanderschap heeft verkregen, hetzij op het tijdstip van die wetswijziging (15 januari 2001), hetzij op enig tijdstip gelegen tussen 6 juni 1990 en 15 januari 2001, hetzij op enig tijdstip gelegen na 15 januari 2001.

Het is aan de wetgever om te beslissen of een dergelijke ingrijpende inbreuk op het stelsel van de RWN gerechtvaardigd is en, zo ja, op welke wijze deze vorm dient te krijgen. 3.13.5 Op grond van het vorenstaande moet worden aangenomen dat de erkenning van verzoeker door de man noch ten tijde van die erkenning, noch op enig tijdstip nadien tot gevolg heeft gehad dat verzoeker ingevolge art. 4 (oud en huidig) RWN het Nederlanderschap heeft verkregen. 2.6 Op 28 april 1998 is de vader gescheiden van zijn toenmalige echtgenote. Aangenomen moet worden dat naar Arubaans recht de nietige erkenning daarmee bekrachtigd werd en dat daardoor het Nederlanderschap werd verkregen met ingang van de dag van de erkenning.

Zie de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2036: 2.9.1 De Hoge Raad heeft eerder beslist dat de erkenning van een kind die nietig is op grond van schending van het erkenningsverbod van art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud), kan worden bekrachtigd op de voet van art. 3:58 lid 1 in verbinding met art. 3:59 BWC (gelijkluidend aan art. 3:58 lid 1 en 3:59 BW).[noot 8: HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:179, rov. 3.4, en HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:186, rov. 3.4.] Daarbij is tevens aanvaard dat indien door bekrachtiging van de erkenning het vaderschap van de erkenner komt vast te staan, diens Nederlanderschap ertoe leidt dat het door hem in het buitenland erkende kind het Nederlanderschap verkrijgt.[noot 9:

HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:186, rov. 3.6.] 2.9.2 Indien sprake is van een in het buitenland gedane erkenning in strijd met het erkenningsverbod van art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud), vindt de hiervoor in 2.9.1 bedoelde verkrijging van het Nederlanderschap die is verbonden aan de bekrachtiging van de erkenning, van rechtswege plaats op het tijdstip van de erkenning die in de buitenlandse geboorteakte is vermeld. Ook hieraan staat niet in de weg hetgeen de Hoge Raad heeft geoordeeld in (…) zijn uitspraak van 19 januari 2018.

De bekrachtiging heeft immers terugwerkende kracht tot het tijdstip waarop de erkenning van het kind in het buitenland is gedaan, zodat die erkenning vanaf dat tijdstip als steeds rechtsgeldig moet worden aangemerkt. In dat geval berust het rechtsgevolg van de verkrijging van het Nederlanderschap op het tijdstip van de in het buitenland gedane erkenning op de toepassing van art. 3:58 lid 1 BWC in verbinding met art. 3:59 BWC en de art. 4 en 2 lid 1 (oud en huidig) RWN, en is dat rechtsgevolg door de wetgever dus aanvaard. 2.7 Op 23 juli 1998 trouwt de vader in Aruba met de moeder.

Verzoekster wordt ingeschreven in het Arubaanse trouwboekje. Indien in deze inschrijving in het trouwboekje een wettiging (erkenning ter gelegenheid van huwelijk) naar het destijds geldende Arubaanse recht mag worden gezien, zou verzoekster daardoor het Nederlanderschap hebben verkregen, maar met ingang van de dag van wettiging (23 juli 1998), ware het niet dat verzoekster het Nederlanderschap al had verkregen door de bekrachtiging met ingang van de dag van de Colombiaanse erkenning (23 april 1992). Aan de geldigheid van de Arubaanse wettiging staat niet in de weg staat dat verzoekster al in 1992 was erkend in Colombia, a fortiori niet doordat de Colombiaanse erkenning naar Arubaans recht nietig was (vgl. voor een buitenlandse wettiging waarbij de Overeenkomst inzake wettiging door huwelijk van 1970 een rol speelde, de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2036, rov. 2.11.1-2.11.4). 2.8 Verzoekster is door haar vader verzorgd en opgevoed, zij draagt zijn naam en heeft bij hem gewoond.

De wijze waarop verzoekster met een zekere duurzaamheid aan het maatschappelijk verkeer deelnam, duidt naar zijn uiterlijke vorm erop duidt dat verzoekster in de familiebetrekking van kind tot haar vader stond. Zij kan zich daarom beroepen op bezit van staat als kind van haar vader. Dit bezit van staat correspondeert met de inhoud van haar Colombiaanse geboorteakte, zodat zij het Nederlanderschap heeft verkregen met ingang van de dag van de Colombiaanse erkenning. Zie de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2036: 2.8.1 Art. 1:209 BWC (gelijkluidend aan art. 1:209 BW) bepaalt dat iemands afstamming volgens zijn geboorteakte door een ander niet kan worden betwist, indien hij een staat overeenkomstig die akte heeft.

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is sprake van zogeheten bezit van staat in de zin van deze bepaling indien de wijze waarop iemand met een zekere duurzaamheid aan het maatschappelijk verkeer deelneemt, naar zijn uiterlijke vorm erop duidt dat hij in een bepaalde familiebetrekking staat tot een ander.[ noot 4: HR 7 november 2003, ECLI:NL:2003:AI0360, rov. 3.4; HR 21 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB5084, rov. 3.5; HR 9 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9884, rov. 5.3.2.] 2.8.2 De Hoge Raad heeft eerder beslist dat de rechtszekerheid en de bescherming van het belang van het kind die bezit van staat als bedoeld in art. 1:209 BW beoogt te bieden, zich mede uitstrekken tot een buitenlandse geboorteakte waaraan een gebrek kleeft.[ noot 5:

HR 9 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9884, rov. 5.3.6.] Dit geldt ook indien het gebrek in de buitenlandse geboorteakte erin is gelegen dat de daarin vastgelegde erkenning van het kind door een gehuwde man nietig is op grond van schending van het erkenningsverbod van art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud).[ noot 6: HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:179, rov. 3.5, en HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:186, rov. 3.5.] Daarbij is tevens aanvaard dat, indien met een geslaagd beroep op bezit van staat het vaderschap van de erkenner komt vast te staan, diens Nederlanderschap ertoe leidt dat het door hem in het buitenland erkende kind het Nederlanderschap verkrijgt.[noot 7:

HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:186, rov. 3.6.] 2.8.3 Indien sprake is van een in het buitenland gedane erkenning in strijd met het erkenningsverbod van art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud), vindt de hiervoor in 2.8.2 bedoelde verkrijging van het Nederlanderschap die is verbonden aan een geslaagd beroep op bezit van staat, van rechtswege plaats op het tijdstip van de erkenning die in de buitenlandse geboorteakte is vermeld. Hieraan staat niet in de weg dat de Hoge Raad in zijn uitspraak van 19 januari 2018 (…) heeft geoordeeld dat de gevolgen van een erkenning voor de verkrijging van het Nederlanderschap moeten worden beoordeeld naar het tijdstip waarop die erkenning plaatsvindt, en evenmin dat de in het buitenland gedane erkenning in een geval als in deze zaak aan de orde is, op zichzelf beschouwd nietig is op grond van schending van het erkenningsverbod en niet voor erkenning in het Koninkrijk in aanmerking komt.

Een geslaagd beroep op bezit van staat brengt immers mee dat het gebrek in de buitenlandse geboorteakte, die het gevolg is van de nietige erkenning, niet tegen de betrokken persoon kan worden ingeroepen. In dat geval berust het rechtsgevolg van de verkrijging van het Nederlanderschap op het tijdstip van de in het buitenland gedane erkenning op de toepassing van art. 1:209 BWC in verbinding met de art. 4 en 2 lid 1 (oud en huidig) RWN, en is dat rechtsgevolg door de wetgever dus aanvaard. 2.9 Uit het voorgaande volgt dat verzoekster op twee zelfstandige gronden, te weten bekrachtiging en bezit van staat, het Nederlanderschap heeft verkregen met terugwerking tot de dag van de erkenning (23 april 1992).

Het verzoek moet dus worden toegewezen. Voor een kostenveroordeling is geen aanleiding. 3Beslissing Het Hof stelt vast dat verzoekster het Nederlanderschap bezit met ingang van [datum] 1992. Deze beschikking is gegeven door mrs. J. de Boer, G.C.C. Lewin en E.M. van der Bunt, leden van het Hof en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 september 2022 in Aruba, in tegenwoordigheid van de griffier.