Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:OGHACMB:2022:116 ECLI:NL:OGHACMB:2022:116 AI generated

ECLI:NL:OGHACMB:2022:116 · Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Case Number ECLI:NL:OGHACMB:2022:116
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

AUA2022H00030 Datum uitspraak: 31 oktober 2022 gemeenschappelijk hof van jusTitie van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], verblijvend in [verblijfplaats], appellant, tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) van 31 januari 2022 in zaak nr. AUA202100894, in het geding tussen: appellant en de minister van Justitie, Veiligheid en Integratie, thans de minister van Justitie en Sociale Zaken (hierna: de minister) Procesverloop Bij beschikking van 7 november 2020 heeft de minister de ophouding van [appellant] bevolen (hierna: het ophoudingsbevel).

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:OGHACMB:2022:116 · Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba: Overwegingen Inleiding 1. [appellant] heeft op 12 november 2020 bezwaar gemaakt tegen het ophoudingsbevel. Op 6 april 2021 heeft hij beroep ingesteld tegen de fictieve afwijzende beschikking op bezwaar. Het Gerecht heeft dat beroep wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. De minister raakte namelijk op 5 februari 2021 in gebreke om tijdig op het bezwaar te beschikken, zodat op die dag de beroepstermijn van acht weken is aangevangen. Deze termijn eindigde op 1 april 2021 en niet een dag later op Goede Vrijdag. De termijn was daarom niet verlengd tot dinsdag 6 april 2021, aldus het Gerecht.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBROT:2021:12118
RECHTBANK ROTTERDAM Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummers: ROT 20/6032, ROT 21/388, ROT 21/389 en ROT 21/390 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 december 2021 op het verzet van [naam opposant] , te [plaats] , opposant. Procesverloop Bij uitspraken van 29 september 2020 (het bestreden besluit) heeft de Regionale Belasting Groep het bezwaar van opposant tegen de invorderingskosten van de aanslagen met de aanslagnummers [aanslagnummer 1] (zaaknummer ROT 20/6032), [aanslagnummer 2] (zaaknummer ROT 21/388), [aanslagnummer 3] (zaaknummer ROT 21/389) en [aanslagnummer 4] (zaaknummer ROT 21/390) niet-ontvankelijk verklaard.
ECLI:NL:OGHACMB:2022:2
AUA2020H00086 Datum uitspraak: 19 januari 2022 gemeenschappelijk hof van jusTitie van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Uitspraak op het hoger beroep van: de coöperatieve vereniging Aruba Beach Club, gevestigd in Aruba, appellante, tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 4 mei 2020 in zaak nr. AUA201804072, in het geding tussen: appellante en de minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Milieu (hierna: de minister) Procesverloop Bij beschikking van 16 april 2018 heeft de minister aan Aruba Beach Club vergunning verleend om in het jaar 2017 op het strand ten westen van Aruba Beach Club domeingrond in te nemen voor het uitzetten en aanbieden van 350 strandstoelen.
ECLI:NL:CRVB:2021:1500
20754 WMO15 Datum uitspraak: 9 juli 2021 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 15 januari 2020, 19/560 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Breda (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. I.E. Mussche, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht om het college te veroordelen tot vergoeding van schade.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

AUA2022H00030 Datum uitspraak: 31 oktober 2022 gemeenschappelijk hof van jusTitie van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], verblijvend in [verblijfplaats], appellant, tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) van 31 januari 2022 in zaak nr. AUA202100894, in het geding tussen: appellant en de minister van Justitie, Veiligheid en Integratie, thans de minister van Justitie en Sociale Zaken (hierna: de minister) Procesverloop Bij beschikking van 7 november 2020 heeft de minister de ophouding van [appellant] bevolen (hierna: het ophoudingsbevel).

Op 12 november 2020 heeft [appellant] daartegen bezwaar gemaakt. Op 6 april 2021 heeft [appellant] beroep ingesteld tegen het met een afwijzende beschikking gelijkgestelde uitblijven van een beschikking op het door hem gemaakte bezwaar (hierna: fictieve afwijzende beschikking op bezwaar). Bij uitspraak van 31 januari 2022 heeft het Gerecht het door [appellant] ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Met toestemming van partijen is een behandeling ter zitting achterwege gelaten.

Overwegingen Inleiding 1. [appellant] heeft op 12 november 2020 bezwaar gemaakt tegen het ophoudingsbevel. Op 6 april 2021 heeft hij beroep ingesteld tegen de fictieve afwijzende beschikking op bezwaar. Het Gerecht heeft dat beroep wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. De minister raakte namelijk op 5 februari 2021 in gebreke om tijdig op het bezwaar te beschikken, zodat op die dag de beroepstermijn van acht weken is aangevangen. Deze termijn eindigde op 1 april 2021 en niet een dag later op Goede Vrijdag. De termijn was daarom niet verlengd tot dinsdag 6 april 2021, aldus het Gerecht.

Het hoger beroep 2. In hoger beroep voert [appellant] aan dat het Gerecht buiten de omvang van het geding is getreden door ambtshalve te beoordelen of het beroepschrift tijdig is ingediend. Volgens [appellant] volgt uit een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 december 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:12118, dat de bestuursrechter niet gehouden is om ambtshalve de tijdigheid van het bij hem ingestelde rechtsmiddel, in dit geval: beroep, te beoordelen. 2.1. Het Hof heeft in zijn uitspraak van 19 januari 2022, ECLI:NL:OGHACMB:2022:2, aansluiting gezocht bij de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1500, waarnaar ook de rechtbank Rotterdam in haar uitspraak heeft verwezen.

Uit de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep en het Hof volgt dat de wettelijke bepalingen over tijdigheid van een bezwaar- of beroepschrift weliswaar niet van openbare orde zijn, maar wel dwingend van aard. Dat betekent dat de instantie waarbij een rechtsmiddel is ingesteld, wettelijk gehouden is de tijdigheid van dat rechtsmiddel te beoordelen en in geval van niet-verschoonbare termijnoverschrijding het rechtsmiddel nietontvankelijk te verklaren. De uitspraak van (een enkelvoudige kamer van) de rechtbank Rotterdam is daarmee in strijd en daarom niet juist.

Het Gerecht heeft dan ook terecht beoordeeld of het beroepschrift van [appellant] tijdig is ingediend en is op goede gronden tot de conclusie gekomen dat dit niet het geval is. Het betoog slaagt niet. Slotsom 3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. W.H. Bel, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. T.G.M. Simons, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M.C.S. van der Heide, griffier. w.g. Bel voorzitter w.g. Van der Heide griffier Uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2022.