Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:OGHACMB:2021:78 ECLI:NL:OGHACMB:2021:78 AI generated

ECLI:NL:OGHACMB:2021:78 · Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Case Number ECLI:NL:OGHACMB:2021:78
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

het Openbaar Ministerie van Curaçao, hierna: OM, 2. de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Nederlandse Ministerie van Justitie en Veiligheid, hierna: IND, 3. de Minister van Justitie van Curaçao, 4. het Hoofd Burgerlijke Stand en Bevolkingsregister (basisregistratie persoonsgegevens) van Curaçao. 1Verloop van de procedure 1.1. Bij op 18 mei 2020 ingekomen verzoekschrift ingevolge artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna ook: RWN), met producties, heeft verzoekster aan het Hof verzocht het Nederlanderschap van haar vast te stellen. 1.2.

Legislator headnote

AI generated

artikel 1:209 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 1:209 BW, art. 1:209 BW, artikel 1:20 BW, artikel 1:25 BW; ECLI:NL:OGHACMB:2021:78 · Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba: HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:179, rov. 3.5, en HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:186, rov. 3.5] Daarbij is tevens aanvaard dat, indien met een geslaagd beroep op bezit van staat het vaderschap van de erkenner komt vast te staan, diens Nederlanderschap ertoe leidt dat het door hem in het buitenland erkende kind het Nederlanderschap verkrijgt.[noot 7: HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:186, rov. 3.6] 2.8.3 Indien sprake is van een in het buitenland gedane erkenning in strijd met het erkenningsverbod van art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud), vindt de hiervoor in 2.8.2 bedoelde verkrijging van het Nederlanderschap die is verbonden aan een geslaagd beroep op bezit van staat, van rechtswege plaats op het tijdstip van de erkenning die in de buitenlandse geboorteakte is vermeld.

Keywords

AI generated
artikel 1:209 van het Burgerlijk Wetboek artikel 1:209 BW art. 1:209 BW artikel 1:20 BW artikel 1:25 BW

Cited Legislation

AI generated
artikel 1:209 van het Burgerlijk Wetboek
2.2 Verzoekster doet beroep op ‘bezit van staat’, bedoeld in artikel 1:209 van het Burgerlijk Wetboek (BW), als kind van [Naam 1], alsmede op algemene rechtsbeginselen en mensenrechtenbepalingen.
artikel 1:209 BW
2.3 Ingevolge artikel 1:209 BW kan iemands afstamming volgens de geboorteakte niet door een ander worden betwist indien hij of zij een staat overeenkomstig die akte heeft (lees: bezit).
art. 1:209 BW
2.8.1 Art. 1:209 BWC (gelijkluidend aan art.
artikel 1:20 BW
2.11 Voor reguliere erkenningen van in hetzelfde land geboren kinderen is de ‘geboorteakte’ als bedoeld in artikel 1:209 BW de geboorteakte in combinatie met de kantmelding of latere vermelding van erkenning (zie artikel 1:20 BW), waarbij voor de afstamming de kantmelding of latere vermelding bepalend is.
artikel 1:25 BW
Denkbaar is tegenwoordig nog dat door de burgerlijke stand van Den Haag overeenkomstig artikel 1:25 BW-NL de buitenlandse geboorteakte is ingeschreven en dat de Arubaanse/Curaçaose/BES- erkenningsakte daaraan als latere vermelding is toegevoegd.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2019:2036
Is het juist dat indien de Nederlandse gehuwde man zijn gewone verblijfplaats heeft in het land waar hij het kind op regelmatige wijze heeft erkend, deze erkenning naar het internationaal privaatrecht van Curaçao zonder meer kan worden erkend en tot het Nederlanderschap leidt? 2. Indien vóór 15 januari 2001 (tijdstip van vervallen van het wettelijk verbod van erkenning door de gehuwde man in Curaçao, Sint Maarten en op de BES-eilanden) dan wel 1 januari 2002 (toen dat in Aruba gebeurde) het wettelijk verbod in een concreet geval buiten toepassing moet blijven wegens strijd met artikel 8 EVRM, leidt dat dan tot het Nederlanderschap? 3.
NJ 2020/99
2.10 Bezit van staat beoogt de rechtszekerheid en de bescherming van het belang van het kind te dienen (HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2036, NJ 2020/99, rov.
ECLI:NL:HR:2007:BB5084
Het geding in feitelijke instanties Met een op 4 oktober 2005 ter griffie van de rechtbank Almelo ingediend verzoekschrift heeft [verweerster] zich gewend tot die rechtbank en verzocht, kort gezegd, de door haar gedane betwisting van afstamming van [verzoeker] gegrond te verklaren, te bepalen dat [verzoeker] geen kind is van [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) maar van [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) en de ambtenaar van de burgerlijke stand te gelasten de uitspraak, zodra deze in kracht van gewijsde is gegaan, in de registers in te schrijven. [Verzoeker] heeft het verzoek bestreden.
ECLI:NL:HR:2012:BU9884
Het geding in feitelijke instantie Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikkingen in de zaak 319089/HA RK 08-914 van de rechtbank 's-Gravenhage van 1 oktober 2009, 1 april 2010, 15 juli 2010 en 20 januari 2011; De beschikkingen van de rechtbank zijn aan deze beschikking gehecht.
ECLI:NL:HR:2015:179
30 januari 2015 Eerste Kamer nr.
ECLI:NL:HR:2015:186
30 januari 2015 Eerste Kamer nr.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

BURGERLIJKE ZAKEN 2021 BESCHIKKING NO. Registratienr.: CUR2020H00143 Uitspraak: 26 maart 2021 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Beschikking in de zaak van: [Verzoekster], wonend in Curaçao, te dezen woonplaats gekozen hebbend ten kantore van haar gemachtigde, verzoekster tot vaststelling van het Nederlanderschap, gemachtigde: mr. O.E. Kostrzewski, belanghebbenden:

1. het Openbaar Ministerie van Curaçao, hierna: OM, 2. de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Nederlandse Ministerie van Justitie en Veiligheid, hierna: IND, 3. de Minister van Justitie van Curaçao, 4. het Hoofd Burgerlijke Stand en Bevolkingsregister (basisregistratie persoonsgegevens) van Curaçao. 1Verloop van de procedure 1.1. Bij op 18 mei 2020 ingekomen verzoekschrift ingevolge artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna ook: RWN), met producties, heeft verzoekster aan het Hof verzocht het Nederlanderschap van haar vast te stellen. 1.2.

De IND heeft in een advies van 27 november 2020 geadviseerd tot afwijzing van het verzoek. 1.3. Op 9 maart 2021 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Verschenen is verzoekster, vergezeld van haar gemachtigde en drie collega’s. De gemachtigde van verzoekster heeft een Toelichting overgelegd en verzoekster zelf een schriftelijke verklaring. 1.4. Beschikking is bepaald op heden. 2Beoordeling 2.1 Het Hof gaat uit van de volgende feiten: a. Verzoekster is geboren op [datum] 1975 in de Dominicaanse Republiek uit een ongehuwde moeder die de Dominicaanse nationaliteit had. b.

Verzoekster is op 23 juli 1975 erkend in de Dominicaanse Republiek door [erkenner] die de nationaliteit van Puerto Rico had. c. Op 23 december 1981 huwt de moeder in de Dominicaanse Republiek met [Naam 1], die de Nederlandse nationaliteit had. d. Verzoekster is op 7 september 1983 nogmaals (maar volgens de wet: nietig) erkend, en wel in Sint Eustatius door [Naam 1]. e. De (nietige) Statiaanse erkenning is ingeschreven in het bevolkingsregister van Sint Eustatius waar betrokkene vanaf 23 januari 1982 haar gewone verblijfplaats had. f. Blijkens het trouwboekje van de moeder en [Naam 1] hebben deze drie kinderen onder wie verzoekster. 2.2 Verzoekster doet beroep op ‘bezit van staat’, bedoeld in artikel 1:209 van het Burgerlijk Wetboek (BW), als kind van [Naam 1], alsmede op algemene rechtsbeginselen en mensenrechtenbepalingen. 2.3 Ingevolge artikel 1:209 BW kan iemands afstamming volgens de geboorteakte niet door een ander worden betwist indien hij of zij een staat overeenkomstig die akte heeft (lees: bezit).

Deze bepaling, die de rechtszekerheid dient, is van toepassing indien de staat volgens de geboorteakte en het bezit van staat overeenstemmen. 2.4 In de prejudiciële beslissing van 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2036, NJ 2020/99 overweegt de Hoge Raad ten aanzien van de bescherming van bezit van staat in verband met het Nederlanderschap: 2.7.2 Bij de beantwoording van deze prejudiciële vraag dient tot uitgangspunt dat – anders dan besloten ligt in de toelichting van het hof op zijn vraagstelling – de Hoge Raad zich in zijn hiervoor in 2.5.2 en 2.6.2 vermelde prejudiciële uitspraak van 19 januari 2018 niet heeft uitgelaten over de betekenis van bezit van staat of bekrachtiging van de erkenning in verband met de verkrijging van het Nederlanderschap.

In de zaak die heeft geleid tot die prejudiciële uitspraak, lag uitsluitend de vraag voor of het Nederlanderschap was verkregen door, kort gezegd, de enkele erkenning in Sint Maarten van een in het buitenland gedane erkenning (zie rov. 3.2.1-3.2.2 van die uitspraak). De hiervoor in 2.5.4 vermelde uitspraak van de Hoge Raad van 19 mei 2017 ziet evenmin op de betekenis van bezit van staat of bekrachtiging van de erkenning in verband met de verkrijging van het Nederlanderschap, maar uitsluitend op, kort gezegd, de mogelijke verkrijging van het Nederlanderschap ingevolge geboorte (zie rov. 3.4.1-3.4.2 van die uitspraak).

Ten slotte heeft de Hoge Raad in zijn hiervoor in 2.6.3 vermelde uitspraak van 21 december 2018 uitsluitend geoordeeld over de mogelijke verkrijging van het Nederlanderschap ingevolge een in het buitenland gedane erkenning (zie rov. 3.2.1 van die uitspraak). 2.8.1 Art. 1:209 BWC (gelijkluidend aan art. 1:209 BW) bepaalt dat iemands afstamming volgens zijn geboorteakte door een ander niet kan worden betwist, indien hij een staat overeenkomstig die akte heeft. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is sprake van zogeheten bezit van staat in de zin van deze bepaling indien de wijze waarop iemand met een zekere duurzaamheid aan het maatschappelijk verkeer deelneemt, naar zijn uiterlijke vorm erop duidt dat hij in een bepaalde familiebetrekking staat tot een ander.[noot 4:

HR 7 november 2003, ECLI:NL:2003:AI0360, rov. 3.4; HR 21 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB5084, rov. 3.5; HR 9 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9884, rov. 5.3.2] 2.8.2 De Hoge Raad heeft eerder beslist dat de rechtszekerheid en de bescherming van het belang van het kind die bezit van staat als bedoeld in art. 1:209 BW beoogt te bieden, zich mede uitstrekken tot een buitenlandse geboorteakte waaraan een gebrek kleeft.[noot 5: HR 9 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9884, rov. 5.3.6] Dit geldt ook indien het gebrek in de buitenlandse geboorteakte erin is gelegen dat de daarin vastgelegde erkenning van het kind door een gehuwde man nietig is op grond van schending van het erkenningsverbod van art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud).[noot 6:

HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:179, rov. 3.5, en HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:186, rov. 3.5] Daarbij is tevens aanvaard dat, indien met een geslaagd beroep op bezit van staat het vaderschap van de erkenner komt vast te staan, diens Nederlanderschap ertoe leidt dat het door hem in het buitenland erkende kind het Nederlanderschap verkrijgt.[noot 7: HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:186, rov. 3.6] 2.8.3 Indien sprake is van een in het buitenland gedane erkenning in strijd met het erkenningsverbod van art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud), vindt de hiervoor in 2.8.2 bedoelde verkrijging van het Nederlanderschap die is verbonden aan een geslaagd beroep op bezit van staat, van rechtswege plaats op het tijdstip van de erkenning die in de buitenlandse geboorteakte is vermeld.

Hieraan staat niet in de weg dat de Hoge Raad in zijn uitspraak van 19 januari 2018 (zie de hiervoor in 2.6.2 aangehaalde overwegingen) heeft geoordeeld dat de gevolgen van een erkenning voor de verkrijging van het Nederlanderschap moeten worden beoordeeld naar het tijdstip waarop die erkenning plaatsvindt, en evenmin dat de in het buitenland gedane erkenning in een geval als in deze zaak aan de orde is, op zichzelf beschouwd nietig is op grond van schending van het erkenningsverbod en niet voor erkenning in het Koninkrijk in aanmerking komt. Een geslaagd beroep op bezit van staat brengt immers mee dat het gebrek in de buitenlandse geboorteakte, die het gevolg is van de nietige erkenning, niet tegen de betrokken persoon kan worden ingeroepen.

In dat geval berust het rechtsgevolg van de verkrijging van het Nederlanderschap op het tijdstip van de in het buitenland gedane erkenning op de toepassing van art. 1:209 BWC in verbinding met de art. 4 en 2 lid 1 (oud en huidig) RWN, en is dat rechtsgevolg door de wetgever dus aanvaard. 2.5 Het Hof heeft het voornemen ingevolge artikel 1b van de Rijkswet rechtsmacht Hoge Raad voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba, in verbinding met de artikelen 392-395 van het Nederlandse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv-NL), opnieuw een vraag aan de Hoge Raad te stellen, en wel de volgende: 2.6 “ “Slaat, indien een kind in het buitenland is geboren en in het Koninkrijk is erkend, de term ‘geboorteakte’ in de zinsnede ‘afstamming volgens zijn geboorteakte’ in artikel 1:209 BW op de oorspronkelijke geboorteakte die zich in het buitenland bevindt of op de latere erkenningsakte bij de burgerlijke stand in het Koninkrijk, al dan niet in verbinding met inschrijving van de erkenning in het bevolkingsregister of basisadministratie persoonsgegevens in het Koninkrijk (en wellicht in een trouwboekje)?” 2.7 Artikel 1:209 BW luidt, zoals gezegd:

Iemands afstamming volgens zijn geboorteakte kan door een ander niet worden betwist, indien hij een staat overeenkomstig die akte heeft. 2.8 Als de term ‘geboorteakte’ slaat op de in de Dominicaanse Republiek opgemaakt geboorteakte, dan is artikel 1:209 BW niet van toepassing. De staat volgens de geboorteakte stemt dan overeen met de staat volgens de wet; een afwijkend bezit van staat is dan irrelevant. De vader van verzoekster volgens de wet is de Puertorriqueño [erkenner] die verzoekster heeft erkend en dit correspondeert met de geboorteakte in de Dominicaanse Republiek. 2.9 Indien daarentegen ‘geboorteakte’ slaat op de in Sint Eustatius opgemaakte (nietige) erkenningsakte, dan ligt het anders.

In dat geval stemt de staat volgens de wet ([erkenner] is de vader) niet overeen met de staat volgens de geboorteakte ([Naam 1] is de vader). Dan kan bezit van staat als kind van [Naam 1] de doorslag geven. 2.10 Bezit van staat beoogt de rechtszekerheid en de bescherming van het belang van het kind te dienen (HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2036, NJ 2020/99, rov. 2.8.2). Overeenkomstig deze bedoeling kiest het Hof vooralsnog voor de uitleg dat de Statiaanse erkenningsakte, al dan niet in verbinding met de corresponderende inschrijving van de erkenning in het Statiaanse bevolkingsregister (thans: basisadministratie persoonsgegevens (of met het ‘trouwboekje’), geldt als ‘geboorteakte’ in de zin van artikel 1:209 BW. 2.11 Voor reguliere erkenningen van in hetzelfde land geboren kinderen is de ‘geboorteakte’ als bedoeld in artikel 1:209 BW de geboorteakte in combinatie met de kantmelding of latere vermelding van erkenning (zie artikel 1:20 BW), waarbij voor de afstamming de kantmelding of latere vermelding bepalend is.

Het is het Hof ambtshalve bekend dat erkenningsakten in Aruba en Curaçao ten aanzien van in het buitenland geboren kinderen (zodat de geboorteakte zich niet in Aruba of Curaçao bevindt) niet worden vernietigd, maar in het archief worden bewaard. Het Hof veronderstelt dat dezelfde praktijk bestaat of bestond in Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Denkbaar is tegenwoordig nog dat door de burgerlijke stand van Den Haag overeenkomstig artikel 1:25 BW-NL de buitenlandse geboorteakte is ingeschreven en dat de Arubaanse/Curaçaose/BES- erkenningsakte daaraan als latere vermelding is toegevoegd.

Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de BES-eilanden kennen zelf geen artikel 1:25 BW. 2.12 De vraag waarop het Hof antwoord wenst te krijgen speelt in drie thans bij het Hof aanhangige zaken. In een daarvan heeft het Hof voornemens dezelfde vraag – met nog twee andere vragen – te stellen onder verwijzing naar de onderhavige zaak. 2.13 Partijen krijgen de gelegenheid zich gelijktijdig bij akte, onmiddellijk peremptoir, uit te laten over het voornemen om een prejudiciële vraag te stellen, alsmede over de inhoud van de te stellen vraag of vragen. 2.14 Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 3Beslissing Het Hof: - stelt partijen in de gelegenheid gelijktijdig per e-mail aan het Hof (madelon.bos@caribjustitia.org ) de in rov. 2.12 bedoelde akte te nemen (P3), uiterlijk op vrijdag 23 april 2021; - houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. F.W.J. Meijer, A.S. Arnold en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten op 26 maart 2021 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.