Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:OGHACMB:2021:356 ECLI:NL:OGHACMB:2021:356 AI generated

ECLI:NL:OGHACMB:2021:356 · Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Case Number ECLI:NL:OGHACMB:2021:356
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Burgerlijke zaken over 2021 Registratienummers: SXM201900162 - SXM2019H00126 Uitspraak: 1 oktober 2021 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba VONNIS in de zaak van: 1B&J GENERAL TRADING N.V, gevestigd te Sint Maarten, 2. [Appellant 2], wonende te Sint Maarten, oorspronkelijk gedaagden in conventie en eiseressen in reconventie, thans appellanten, gemachtigde: mr. S.R. Bommel, tegen [Geïntimeerde], wonende in Canada, eiseres in conventie en verweerster in reconventie, thans geïntimeerde, gemachtigde: mr.

Legislator headnote

AI generated

artikel 2:10 BW; ECLI:NL:OGHACMB:2021:356 · Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba: Ook gedragingen, verklaringen en andere omstandigheden, die hebben plaatsgevonden nádat de overeenkomst is gesloten, kunnen van belang zijn; zie HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2034, NJ 2020/43. 4.4. Het overgemaakte geld was bedoeld om de onderneming van B&J, die geleden had onder de orkaan Irma, weer op de been te helpen. De handgeschreven akte spreekt van [Appellant 2], B&J general trading N.V.’ en ‘every month profit’. [Appellant 2] was bestuurder van B&J en als zodanig bevoegd B&J te vertegenwoordigen (artikel 2:10 BW); ‘every month profit’ slaat op de winst van B&J.

Keywords

AI generated
artikel 2:10 BW

Cited Legislation

AI generated
artikel 2:10 BW
[Appellant 2] was bestuurder van B&J en als zodanig bevoegd B&J te vertegenwoordigen (artikel 2:10 BW); ‘every month profit’ slaat op de winst van B&J.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2018:2217
30 november 2018 Eerste Kamer 17/05375 EV/AR Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [eiseres] ,gevestigd te [plaats] , Spanje, EISERES tot cassatie, advocaat: mr.
ECLI:NL:HR:1977:AC1877
Naar aanleiding van het verweer van [betrokkene 1] dat hij het litigieuze paard niet heeft verkocht aan [verweerder] doch aan de Duitse paardenhandelaar [betrokkene 2] , heeft het Hof bij tussenarrest [verweerder] toegelaten de door hem gestelde koopovereenkomst door getuigen te bewijzen en vervolgens bij eindarrest beslist dat [verweerder] in het opgelegde bewijs is geslaagd, welke beslissing mede steunt op 's Hofs overweging: ‘’dat naar luid van artikel 76 van het Wetboek van Koophandel de commissionair is een middellijke en niet een rechtstreekse vertegenwoordiger en het noemen van de naam van de committent, of het mededelen van de door dezen gegeven opdracht, evenmin als het bijwonen van de onderhandelingen door de committent aan het optreden en zijn van commissionair in de weg staat;’’ Deze overweging is onjuist en houdt in elk geval geen begrijpelijke motivering van 's Hofs beslissing in.
NJ 1977/521
3.3.4, waarin verwezen wordt naar HR 11 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC1877, NJ 1977/521 (Kribbebijter) en HR 28 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3460, NJ 2016/90 (Snippers q.q./Rabobank), rov.
ECLI:NL:HR:2014:3460
28 november 2014 Eerste Kamer nr.
NJ 2016/90
3.3.4, waarin verwezen wordt naar HR 11 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC1877, NJ 1977/521 (Kribbebijter) en HR 28 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3460, NJ 2016/90 (Snippers q.q./Rabobank), rov.
ECLI:NL:HR:2009:BH9284
Het geding in feitelijke instanties [Eiser] heeft bij exploot van 19 maart 2004 Makelaardij Sneek gedagvaard voor de rechtbank Leeuwarden en gevorderd, kort gezegd, Makelaardij Sneek te veroordelen primair tot betaling van een bedrag van € 132.252,30, en subsidiair tot betaling van een bedrag van € 36.177,30, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 november 2003 tot aan de dag der algehele voldoening. Makelaardij Sneek heeft de vordering bestreden. De rechtbank heeft, na een comparitie van partijen, getuigenverhoren en een tussenvonnis van 20 oktober 2004, bij eindvonnis van 1 februari 2006 Makelaardij Sneek veroordeeld tegen kwijting aan [eiser] te betalen € 126.110,40, vermeerderd met de wettelijke rente.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Burgerlijke zaken over 2021 Registratienummers: SXM201900162 - SXM2019H00126 Uitspraak: 1 oktober 2021 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba VONNIS in de zaak van: 1B&J GENERAL TRADING N.V, gevestigd te Sint Maarten, 2. [Appellant 2], wonende te Sint Maarten, oorspronkelijk gedaagden in conventie en eiseressen in reconventie, thans appellanten, gemachtigde: mr. S.R. Bommel, tegen [Geïntimeerde], wonende in Canada, eiseres in conventie en verweerster in reconventie, thans geïntimeerde, gemachtigde: mr.

J.G. Snow, Partijen zullen hierna ook 'B&J','[Appellant 2] en [Geïntimeerde], worden genoemd. 1Het verloop van de procedure 1.1. Voor de procesgang in eerste aanleg en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: het Gerecht) wordt verwezen naar het vonnis van 29 oktober 2019. 1.2. Bij akte van appel van 10 december 2019 zijn B&J en [Appellant 2] in hoger beroep gekomen van het bestreden vonnis. Bij op 21 januari 2020 ingekomen memorie van grieven, met productie, hebben zij drie grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht.

Hun conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen zal afwijzen, met veroordeling van [Geïntimeerde] in de kosten van beide instanties. 1.3. Bij memorie van antwoord heeft [Geïntimeerde] de grieven bestreden en geconcludeerd dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van B&J en [Appellant 2] in de kosten van het hoger beroep. 1.4. Op 11 december 2021 hebben de gemachtigden van partijen schriftelijk gepleit. 1.5. Vonnis is nader bepaald op heden.

2De ontvankelijkheid

B&J en [Appellant 2] zijn tijdig en op de juiste wijze in hoger beroep gekomen en kunnen daarin worden ontvangen.

3De grieven

Voor de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven. 4Beoordeling 4.1. Het Hof gaat uit van de volgende feiten, grotendeels aldus vastgesteld door het Gerecht: a. Door [Geïntimeerde], [Appellant 2], [Naam 1] (als getuige) en [Naam 2] (als getuige) is een akte, d.d. 4 december 2017, getekend, met de volgende tekst (productie 2 bij inleidend verzoekschrift): I [Geïntimeerde] is giving $ 50.000 US to [Appellant 2], B&J general trading N.V. to join to the trading business and every month profit for this sum will be deposited to my first caribean bank account and the capital USD 50,000 will be returned within 12 months. b.

Op 4 december 2017 heeft [Geïntimeerde] het bedrag van USD 50.000,- gestort op de bankrekening van B&J. c. Blijkens een uittreksel van het St. Maarten Commercial Register is [Appellant 2] ‘statutory director’ van B&J. d. Op 23 februari 2018 is er vanaf het bankrekeningnummer van B&J een bedrag van US $ 2.300,00 overgemaakt op de bankrekening van [Geïntimeerde]. e. [Geïntimeerde] heeft in de maanden maart april en mei 2018, per whats app berichten, meerdere keren aan [Appellant 2] gevraagd wanneer zij een aanvang maakt met het terugbetalen van de US $ 50.000,00. f. [Appellant 2] noch B&J heeft daarna enige betaling aan [Geïntimeerde] verricht. g. [Geïntimeerde] heeft op 5 februari 2019 conservatoir derdenbeslag ten laste van B&J en [Appellant 2] gelegd.

Deels kleeft het beslag. 4.2. Het Gerecht heeft aangenomen dat zowel [Appellant 2] als B&J aansprakelijk zijn voor de terugbetaling van de lening en hen beide veroordeeld om het bedrag van US$ 47.700,00 aan [Geïntimeerde] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente en de buitengerechtelijke kosten. Hiertegen richt zich het hoger beroep. 4.3. Aan de orde is de vraag of [Appellant 2] heeft gehandeld (a) namens zichzelf in privé, (b) als vertegenwoordiger (bestuurder) van B&J of (c) zowel namens zichzelf in privé als vertegenwoordiger (bestuurder) van B&J.

Het antwoord op deze vraag is afhankelijk van hetgeen [Appellant 2] en [Geïntimeerde] jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden (de zgn. Kribbebijtermaatstaf); zie onder meer HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2217 (Unisphere Holdings N.V.), rov. 3.3.4, waarin verwezen wordt naar HR 11 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC1877, NJ 1977/521 (Kribbebijter) en HR 28 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3460, NJ 2016/90 (Snippers q.q./Rabobank), rov. 3.4.3. Tot de omstandigheden die in dit verband in aanmerking moeten worden genomen, behoort tevens de voor de wederpartij kenbare hoedanigheid en de context waarin partijen optraden; zie HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH9284, NJ 2010/664 (Makelaardij Sneek), rov. 3.3.1.

Ook gedragingen, verklaringen en andere omstandigheden, die hebben plaatsgevonden nádat de overeenkomst is gesloten, kunnen van belang zijn; zie HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2034, NJ 2020/43. 4.4. Het overgemaakte geld was bedoeld om de onderneming van B&J, die geleden had onder de orkaan Irma, weer op de been te helpen. De handgeschreven akte spreekt van [Appellant 2], B&J general trading N.V.’ en ‘every month profit’. [Appellant 2] was bestuurder van B&J en als zodanig bevoegd B&J te vertegenwoordigen (artikel 2:10 BW); ‘every month profit’ slaat op de winst van B&J.

Het geld is overgemaakt naar een bankrekening van B&J en de deelterugbetaling van $ 2.300 geschiedde ook door B&J. Naar het oordeel van het Hof is, met inachtneming van de Kribbebijtermaatstaf, in elk geval B&J partij en zijn er onvoldoende aanwijzingen dat [Appellant 2] mede partij is. De grieven 1-2 slagen dus. 4.5. De akte levert dwingend bewijs op van de waarheid van hetgeen verklaard is. Bij haar tegenbewijsaanbod hebben B&J en [Appellant 2], gelet op het voorgaande, geen belang meer. Ook als de overeenkomst niet door [Appellant 2] maar door [Naam 1], de enige aandeelhouder, is aangegaan (en dus niet alleen dat deze [Naam 1] als belanghebbende heeft onderhandeld over de lening), zal in de opstelling van B&J en [Appellant 2], via (stilzwijgende) volmachtverlening, ook alleen de rechtspersoon B&J partij geworden zijn.

Indien B&J en [Appellant 2] willen betogen dat alleen [Naam 1], die geen partij is in deze procedure, de debiteur is, zijn zij onvoldoende duidelijk. 4.6. B&J en [Appellant 2] hebben nog betoogd dat [Geïntimeerde] geen partij is bij de geldleningsovereenkomst en dat zij daarom niet bevoegd is de onderhavige vordering in te stellen. Dit betoog faalt. Niet valt in te zien wat het belang van B&J en [Appellant 2] is dat, ondanks wat in de akte staat, wellicht de echtgenoot van [Geïntimeerde], [Naam 2], heeft gecontracteerd (en niet alleen heeft onderhandeld).

Overigens kan [Geïntimeerde] ook als lasthebber in rechte optreden ten behoeve van een ander en dus op eigen naam procederen. 4.7. Grief 3, inhoudende dat de vordering niet opeisbaar is en dat geen sprake is van verzuim, faalt. Het Hof legt in het voetspoor van het Gerecht de in de akte van geldlening neergelegde woorden ‘and the Capital $ 50.000 will be returned within 12 months’ aldus uit dat de ‘12 months’ beginnen te lopen op de dag dat de schriftelijke akte is opgemaakt. 4.8. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden vonnis in conventie deels moet worden vernietigd, in die zin dat alleen B&J in conventie veroordeeld kan worden.

Het Hof zal uit praktische overwegingen het vonnis geheel vernietigen en een aangepast dictum geven. 4.9. Gelet op de uitkomst worden de kosten in beide instanties gecompenseerd. 5Beslissing Het Hof: - vernietigt het bestreden vonnis, en opnieuw rechtdoende: In conventie: veroordeelt B&J om het bedrag van US $ 47.700,00 aan [Geïntimeerde] te betalen te vermeerderen met de wettelijke rente van US $ 1.396,75 alsmede de wettelijke rente te berekenen over deze hoofdsom vanaf 14 februari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening; veroordeelt B&J om de buitengerechtelijke kosten van US $ 2.250,00 aan [Geïntimeerde] te betalen; verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders gevorderde; compenseert de proceskosten in beide instanties aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

In reconventie: wijst af de vordering; veroordeelt [Appellant 2] en B&J in de proceskosten van de eerste aanleg tot op heden aan de zijde van [Geïntimeerde] begroot op NAf 1.500,00. Dit vonnis is gewezen door mrs. M.W. Scholte, Th.G. Lautenbach en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten uitgesproken op 1 oktober 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.