Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:OGHACMB:2021:284 ECLI:NL:OGHACMB:2021:284 AI generated

ECLI:NL:OGHACMB:2021:284 · Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Case Number ECLI:NL:OGHACMB:2021:284
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

BURGERLIJKE ZAKEN OVER 2021 BESCHIKKING NO. ZAAKNR: SXM2020H00076 UITSPRAAK: 27 juli 2021 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba Beschikking in de zaak van: 1[APPELLANT], verzoeker, wonend in Sint Maarten, gemachtigde: mr. P.A. Brandon, andere belanghebbenden:

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:OGHACMB:2021:284 · Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba: Het beroep van de IND (advies van 26 mei 2021, p. 2 noot 1) op HR 1 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4353 (artikel 81 RO) faalt, aangezien het in die zaak ging om de identiteit van de verzoeker die niet vaststond. 2.6. Dat dede Hoge Raad inmiddels (HR 25 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:1007) anders heeft geoordeeld over de bekrachtigingskwestie (zie tussenbeschikking, rov. 2.8) en, de beschikking van het Hof vernietigend, het verzoek om de vaststelling van het Nederlanderschap in die zaak alsnog heeft afgewezen, is nu niet meer van belang. 2.7. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek moet worden toegewezen. 3Beslissing Het Hof stelt vast dat verzoeker het Nederlanderschap bezit met ingang van de dag van de erkenning in Suriname, te weten van [datum] 1981.

Cited Case Law

AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

BURGERLIJKE ZAKEN OVER 2021 BESCHIKKING NO. ZAAKNR: SXM2020H00076 UITSPRAAK: 27 juli 2021 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba Beschikking in de zaak van: 1[APPELLANT], verzoeker, wonend in Sint Maarten, gemachtigde: mr. P.A. Brandon, andere belanghebbenden:

2. het Openbaar Ministerie, hierna: OM, 3. de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Nederlandse Ministerie van Veiligheid en Justitie, hierna: IND, 4. de Minister van Justitie, 5. de Minister van Algemene Zaken, 6. het Hoofd van de basisadministratie persoonsgegevens, 7. het Hoofd van de burgerlijke stand, vertegenwoordigers: [ambtenaar 1], [ambtenaar 2] en gemachtigde: mw mr. Romona Rhisda Ismail. 1Verder verloop van de procedure 1.1. Het Hof verwijst voor het verloop tot dan toe naar zijn tussenbeschikking van 26 februari 2021. 1.2. Op 26 maart 2021 heeft verzoeker een akte genomen, met producties. 1.3.

Op 26 mei 2021 heeft de IND advies uitgebracht, met als bijlage zijn advies van 20 november 2020. 1.4. Beschikking is bepaald op heden. 2Beoordeling 2.1. Door de producties bij verzoekers akte van 26 maart 2021 beschikt het Hof thans over voldoende gegevens om te kunnen oordelen dat verzoeker bezit van staat als kind van [naam] bezit. De IND betwist niet de juistheid of overtuigingskracht van de producties. 2.2. Wel betoogt de IND dat ten tijde van de nietige erkenning in Suriname sprake was van bedrog (verzwijging van de gehuwde staat van [naam]) en dat niet is gebleken van instemming van de erkenning door de biologische moeder. 2.3.

In de tussenbeschikking (rov. 2.14) heeft het Hof al geoordeeld dat bedrog door de erkenner aan een beroep door verzoeker op zijn bezit van staat niet in de weg staat. Bezit van staat beoogt de rechtszekerheid en de bescherming van het belang van het kind te bieden. De verzwijging door en de leugen van de vader kunnen aan de toen eenjarige onderscheidenlijk vierjarige verzoeker niet worden toegerekend. 2.4. Niet staat vast dat de moeder van verzoeker geen toestemming voor de erkenning heeft gegeven en zelfs al zou dat vaststaan, kan dat, door het bestaan van bezit van staat van verzoeker als kind van [naam], aan verzoeker niet worden tegengeworpen. 2.5.

Het beroep van de IND (advies van 26 mei 2021, p. 2 noot 1) op HR 1 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4353 (artikel 81 RO) faalt, aangezien het in die zaak ging om de identiteit van de verzoeker die niet vaststond. 2.6. Dat dede Hoge Raad inmiddels (HR 25 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:1007) anders heeft geoordeeld over de bekrachtigingskwestie (zie tussenbeschikking, rov. 2.8) en, de beschikking van het Hof vernietigend, het verzoek om de vaststelling van het Nederlanderschap in die zaak alsnog heeft afgewezen, is nu niet meer van belang. 2.7. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek moet worden toegewezen. 3Beslissing Het Hof stelt vast dat verzoeker het Nederlanderschap bezit met ingang van de dag van de erkenning in Suriname, te weten van [datum] 1981.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J. de Boer, F.W.J. Meijer en O. Nijhuis, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten op 27 juli 2021 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.