Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:OGHACMB:2020:67 ECLI:NL:OGHACMB:2020:67 AI generated

ECLI:NL:OGHACMB:2020:67 · Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Case Number ECLI:NL:OGHACMB:2020:67
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Een ieder die, buiten een bij enige in een der delen van het Koninkrijk gevestigde rechterlijke instantie of een in administratief beroep aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft, kan bij de rechtbank te ’s-Gravenhage of, indien hij in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba woonachtig is, bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba een verzoek indienen tot vaststelling van zijn Nederlanderschap of tot vaststelling dat hij het Nederlanderschap niet bezit.

Legislator headnote

AI generated

artikel 10:101 lid 1 BW, artikel 1:209 BW; ECLI:NL:OGHACMB:2020:67 · Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba: Hierop zal te zijner tijd de IND kunnen reageren. 3.7. Naar het voorlopig oordeel van het Hof wordt, nu geboorteakten ontbreken, de erkenning (wettiging) in Curaçao sedert 2006 ‘in onderzoek’ is, aan een onderzoek naar ‘bezit van staat’ overeenkomstig de geboorteakte (artikel 1:209 BW) niet toegekomen. 3.8. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 3Beslissing Het Hof: - laat verzoekers toe de in rov. 2.3 en 3.5 bedoelde akte over te leggen; - verwijst de zaak daartoe naar de zitting van het Hof in Curaçao van 7 juli 2020; - bepaalt dat het IND vervolgens in de gelegenheid zal worden gesteld tot het nemen van een antwoordakte; - houdt iedere verdere beslissing aan.

Keywords

AI generated
artikel 10:101 lid 1 BW artikel 1:209 BW

Cited Legislation

AI generated
artikel 10:101 lid 1 BW
Het ontbreken van het ratificatievonnis brengt met zich mee dat een geboorteakte niet als rechtsgeldig kan worden aangemerkt, omdat niet is gebleken dat aan de geboorteregistratie behoorlijk onderzoek voorafgegaan is (artikel 10:101 lid 1 BW juncto 10:100 lid 1 onder b BW).
artikel 1:209 BW
Naar het voorlopig oordeel van het Hof wordt, nu geboorteakten ontbreken, de erkenning (wettiging) in Curaçao sedert 2006 ‘in onderzoek’ is, aan een onderzoek naar ‘bezit van staat’ overeenkomstig de geboorteakte (artikel 1:209 BW) niet toegekomen.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2019:2036
Is het juist dat indien de Nederlandse gehuwde man zijn gewone verblijfplaats heeft in het land waar hij het kind op regelmatige wijze heeft erkend, deze erkenning naar het internationaal privaatrecht van Curaçao zonder meer kan worden erkend en tot het Nederlanderschap leidt? 2. Indien vóór 15 januari 2001 (tijdstip van vervallen van het wettelijk verbod van erkenning door de gehuwde man in Curaçao, Sint Maarten en op de BES-eilanden) dan wel 1 januari 2002 (toen dat in Aruba gebeurde) het wettelijk verbod in een concreet geval buiten toepassing moet blijven wegens strijd met artikel 8 EVRM, leidt dat dan tot het Nederlanderschap? 3.
ECLI:NL:HR:2018:59
19 januari 2018 Eerste Kamer 17/02344 LZ/IF Hoge Raad der Nederlanden Prejudiciële beslissing in de zaak van: [verzoeker],wonende te Sint Maarten, VERZOEKER in hoger beroep, niet verschenen in de prejudiciële procedure. t e g e n 1. het OPENBAAR MINISTERIE,zetelende te Philipsburg, Sint Maarten, niet verschenen in de prejudiciële procedure, 2. de STAAT DER NEDERLANDEN (Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Veiligheid en Justitie),zetelende te Den Haag, advocaat: mr. M.M. van Asperen, 3. de MINISTER VAN JUSTITIE,zetelende te Philipsburg, Sint Maarten, 4. de MINISTER VAN ALGEMENE ZAKEN,zetelende te Philipsburg, Sint Maarten, 5. het HOOFD VAN DE BASISADMINISTRATIE PERSOONSGEGEVENS,zetelende te Philipsburg, Sint Maarten, BELANGHEBBENDEN in hoger beroep, niet verschenen in de prejudiciële procedure. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als verzoeker en het Openbaar Ministerie c.s. Verweerder sub 2 zal worden aangeduid als de Staat.
NJ 2018/227
Eerder had het Hof prejudiciële vragen gesteld die door de Hoge Raad zijn beantwoord bij prejudiciële beslissing van 19 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:59, NJ 2018/227.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

BURGERLIJKE ZAKEN 2020 BESCHIKKING NO. Registratienr.: CUR2018H00441 Uitspraak: 7 april 2020 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Beschikking in de zaak van: In de zaak van: 1[Verzoekster 1], 2. [Verzoeker 2], 3. [Verzoekster 3], 4. [Verzoekster 4], 5. [Verzoekster 5], verzoekers onder 1-4 wonende in [Land], woonplaats gekozen hebbende ten kantore van hun gemachtigde, van verzoekster onder 5 is de woonplaats onbekend, verzoekers tot vaststelling van het Nederlanderschap, gemachtigde: mr. S.I. Da Costa Gomez, belanghebbenden:

6. het Openbaar Ministerie van Curaçao, hierna: OM, 7. de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Nederlandse Ministerie van Veiligheid en Justitie, hierna: IND ([naam], [e-mailadres], 8. de Minister van Justitie van Curaçao, 9. het Hoofd Burgerlijke Stand en Bevolkingsregister (basisregistratie persoonsgegevens) van Curaçao. 1Verloop van de procedure 1.1. Bij op 6 juli 2018 ingekomen verzoekschrift ingevolge artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna ook: RWN), met producties, hebben verzoekers aan het Hof verzocht het – op wettiging ter gelegenheid van het huwelijk van hun ouders gebaseerde – Nederlanderschap van hen vast te stellen. 1.2.

Op 29 november 2018 heeft een vertegenwoordiger van het OM per e-mail verzocht om meer documenten. Op 8 juli 2019 heeft het Hof per e-mail gereclameerd. 1.3. Op 28 juni 2019 hebben verzoekers documenten ingediend. 1.4. De zaak is aangehouden in afwachting van een prejudiciële beslissing van de Hoge Raad op vragen die het Hof in twee andere zaken (CUR2018H00415 en CUR2018H00417) op 11 juni 2019 heeft gesteld. Bij prejudiciële beslissing van 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2036 heeft de Hoge Raad antwoord gegeven op de vragen. 1.5. Eerder had het Hof prejudiciële vragen gesteld die door de Hoge Raad zijn beantwoord bij prejudiciële beslissing van 19 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:59, NJ 2018/227. 1.6.

De IND heeft een advies van 17 februari 2020, met productie, uitgebracht, met conclusie tot afwijzing. 1.7. Op 18 februari 2020 hebben verzoekers een memorie na prejudiciële beslissing ingediend. 1.8. Beschikking is bepaald op heden. 2Ontvankelijkheid 2.1 Artikel 17 lid 1 RwNed luidt:

1. Een ieder die, buiten een bij enige in een der delen van het Koninkrijk gevestigde rechterlijke instantie of een in administratief beroep aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft, kan bij de rechtbank te ’s-Gravenhage of, indien hij in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba woonachtig is, bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba een verzoek indienen tot vaststelling van zijn Nederlanderschap of tot vaststelling dat hij het Nederlanderschap niet bezit.

Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip het Nederlanderschap al dan niet bezat. 2.2 Van verzoekster onder 5 ([verzoekster 5 naam]) staat niet vast dat zij in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba woonachtig is. Kennelijk is verzoekster onder 3 ([verzoekster 3 naam]) op 1 januari 2016 vertrokken uit Curaçao (advies IND van 17 februari 2020, p. 2). 2.3 Verzoekers dienen zich gedocumenteerd bij akte uit te laten over de woonplaats van [verzoekster 5 naam] en [verzoekster 3 naam].

Mogelijkerwijs moeten zij het verzoek indienen bij de rechtbank te ’s-Gravenhage. 3Beoordeling 3.1. Verzoekers stellen te zijn geboren in de Dominicaanse Republiek en dat na hun geboorten hun moeder op [datum] 1992 in de Dominicaanse Republiek is gehuwd met de Nederlander [Naam man] (hierna: de man). Daarbij zijn verzoekers naar eigen zeggen gewettigd. Verzoekers stellen sedert 1992 steeds de naam [achternaam] te hebben gevoerd, in gezinsverband met de man te hebben gewoond (sinds wanneer blijkt niet uit het dossier; kennelijk zijn verzoekers pas in 2006 ingeschreven in Curaçao: advies IND van 17 februari 2020, p. 5), door hem te zijn verzorgd en opgevoed en contact te hebben met de familieleden van de man.

De man is op [datum] 2017 overleden (advies IND van 17 februari 2020, p. 2). 3.2. Verzoekers beroepen zich op de wettiging en subsidiair op ‘bezit van staat’ als kinderen van de man. 3.3. Volgens de IND ontbreken er nog steeds documenten. Naar het oordeel van het Hof is het bestaan van het huwelijk tussen de moeder van verzoekers en de man voldoende bewezen. 3.4. Anders is het wat betreft het ontbreken van geboorteaktes. De IND stelt dienaangaande (advies IND van 17 februari 2020, p. 4-5): De Dominicaanse geboorteakten zijn van belang, omdat daarop de ouders worden vermeld.

Op die manier kan worden nagegaan of op die geboorteakten reeds een andere man als vader vermeld staat en of die man wellicht ook de aangever van de geboorte is geweest, waardoor er naar Dominicaans recht reeds een rechtsgeldige erkenning van verzoekers heeft plaatsgevonden. Een tweede – door de heer [naam man] ter gelegenheid van de huwelijkssluiting gedane – erkenning en wettiging heeft dan geen rechtsgevolg meer, de heer [naam man] kan dan niet worden aangemerkt als juridische vader van verzoekers, van afstamming van een Nederlandse man is geen sprake, zodat daaraan niet het Nederlanderschap kan worden ontleend. (…) Verder wordt opgemerkt dat op de huwelijksakte weliswaar onder 'Anotaciones' de voornamen van verzoekers met hun geboortedata worden vermeld, maar daarbij staat bij iedere persoon het woord 'Tardio' of 'Tardia'.

Hieruit kan worden afgeleid dat er bij verzoekers sprake is geweest van een tardieve geboorteaangifte in de Dominicaanse Republiek. Voor een tardieve geboorteaangifte van een persoon van 13 jaar of jonger geldt in de Dominicaanse Republiek een bepaalde procedure. Een ‘Procurador Fiscal' dient het ziekenhuis van de plaats waarin de aan te geven persoon is geboren te controleren alsmede - ter voorkoming van dubbele registraties - het register van de Burgerlijke stand van de plaats waarvan wordt aangenomen dat betrokkene daar geboren is. Hij dient eveneens (middels documentatie en interviews of andere bewijsmiddelen) de geboortedatum, de plaats en de namen van de ouders van de betrokkene te verifiëren.

Nadat dit is gebeurd, wordt het dossier naar de rechter gestuurd die een ratificatievonnis kan uitspreken waarbij de inschrijving van de geboorte geautoriseerd wordt. Bewijsmiddelen en ratificatievonnis moeten worden gearchiveerd [noot 3: Zie ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake legalisatie en verificatie van documenten uit de Dominicaanse Republiek van 28 november 2001, Stc. 9 december 2003, nr. 238, par 2.3.2] (zie bijlage 1). Het ontbreken van het ratificatievonnis brengt met zich mee dat een geboorteakte niet als rechtsgeldig kan worden aangemerkt, omdat niet is gebleken dat aan de geboorteregistratie behoorlijk onderzoek voorafgegaan is (artikel 10:101 lid 1 BW juncto 10:100 lid 1 onder b BW). (…) Uit ingewonnen informatie van de Burgerlijke Stand van Curaçao is gebleken dat verzoekers weliswaar staan ingeschreven in de registers van Curaçao als kinderen van de heer [naam man] met de Nederlandse nationaliteit, maar omdat de juiste bewijsstukken uit de Dominicaanse Republiek daarbij niet zijn overgelegd staan de erkenning en nationaliteit van verzoekers reeds sinds 2006 ‘in onderzoek’ en zijn aan verzoekers géén documenten als een Nederlands paspoort afgegeven.

Verzoekers is gevraagd bepaalde documenten uit de Dominicaanse Republiek te overleggen voor de afronding van het onderzoek. Tot op heden is dat niet gebeurd. Niet duidelijk is op grond van welke documenten verzoekers in 2006 zijn ingeschreven in de registers van Curaçao. 3.5. Verzoekers krijgen nogmaals de gelegenheid, op wat langere termijn, bij akte over te leggen: a. hun geboorteakten; b. het bijbehorende ratificatievonnis; en bovendien: c. gegevens omtrent de woonplaats van [verzoekster 5] en [verzoekster 3] (zie hiervóór rov. 2.3); d. zo mogelijk kopieën van de Nederlandse paspoorten waarover verzoekers stellen te beschikken of te hebben beschikt. 3.6.

Hierop zal te zijner tijd de IND kunnen reageren. 3.7. Naar het voorlopig oordeel van het Hof wordt, nu geboorteakten ontbreken, de erkenning (wettiging) in Curaçao sedert 2006 ‘in onderzoek’ is, aan een onderzoek naar ‘bezit van staat’ overeenkomstig de geboorteakte (artikel 1:209 BW) niet toegekomen. 3.8. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 3Beslissing Het Hof: - laat verzoekers toe de in rov. 2.3 en 3.5 bedoelde akte over te leggen; - verwijst de zaak daartoe naar de zitting van het Hof in Curaçao van 7 juli 2020; - bepaalt dat het IND vervolgens in de gelegenheid zal worden gesteld tot het nemen van een antwoordakte; - houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.W. Scholte, F.W.J. Meijer en J. de Boer, leden van het Hof en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 april 2020 in Curaçao, in tegenwoordigheid van de griffier.