Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:OGHACMB:2020:304 ECLI:NL:OGHACMB:2020:304 AI generated

ECLI:NL:OGHACMB:2020:304 · Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Case Number ECLI:NL:OGHACMB:2020:304
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Burgerlijke zaken 2020 Vonnis no. Registratienummers: SXM201700889 – SXM2018H00115 Uitspraak: 11 december 2020 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba VONNIS in de zaak van: [Appellante], wonende op Sint Maarten, hierna te noemen: [Appellante], oorspronkelijk geopposeerde, eiseres in conventie en verweerster in reconventie, thans appellante, gemachtigde: E. Maduro, tegen [Geïntimeerde], wonende op Sint Maarten, hierna te noemen: [Geïntimeerde], oorspronkelijk opposante. gedaagde in conventie en eiseres in reconventie, thans geïntimeerde, gemachtigden: mrs.

Legislator headnote

AI generated

artikel 263a lid 1 Rv, artikel 84 lid 1 Rv, artikel 84 lid 2 Rv; ECLI:NL:OGHACMB:2020:304 · Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba: In dat geval begint de verzettermijn pas te lopen op de dag waarop (a) de veroordeelde enige daad heeft verricht waaruit noodzakelijk voortvloeit dat – de hoofdinhoud van (HR 12 februari 1997, NJ 1997/377) – het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging hem bekend is (artikel 84 lid 1 Rv); dan wel (b) het verstekvonnis ten uitvoer is gelegd (artikel 84 lid 2 Rv). 2.7. De maatstaf van artikel 84 lid 1 Rv houdt in dat de veroordeelde zelf een handeling moet hebben verricht waaruit ondubbelzinnig valt op te maken dat hij over voldoende gegevens met betrekking tot (de inhoud van) zijn veroordeling beschikt om zich daartegen tijdig en adequaat te kunnen verzetten (HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ0652, NJ 2009/491).

Keywords

AI generated
artikel 263a lid 1 Rv artikel 84 lid 1 Rv artikel 84 lid 2 Rv

Cited Legislation

AI generated
artikel 263a lid 1 Rv
Voor tussentijds appel is daarom vergunning van het Hof nodig, te verzoeken binnen twee weken na de uitspraak van het tussenvonnis (artikel 263a lid 1 Rv).
artikel 84 lid 1 Rv
Van een daad van bekendheid in de zin van artikel 84 lid 1 Rv is pas sprake als de veroordeelde ‘naar buiten’ een daad verricht waaruit ondubbelzinnig de bekendheid met de hoofdinhoud van het vonnis volgt (HR 23 september 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AT4071, NJ 2005/487).
artikel 84 lid 2 Rv

Cited Case Law

AI generated
NJ 1997/377
ECLI:NL:HR:2009:BJ0652
Het geding in feitelijke instanties Bij vonnis van 15 mei 1986 van de rechtbank Alkmaar is [eiseres], samen met haar echtgenoot [betrokkene 1], bij verstek hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een bedrag van ƒ 12.722,66, met rente en kosten, aan de rechtspersoon naar vreemd recht Citibank N.A., zijnde de rechtsvoorgangster van Mahuko. [Eiseres] heeft bij exploot van 11 juli 2005 verzet gedaan tegen voormeld verstekvonnis en gevorderd, kort gezegd, haar te ontheffen van de veroordeling tegen haar uitgesproken door de rechtbank Alkmaar op 15 mei 1986 tussen de rechtsvoorganger van Mahuko als eiseres en [eiseres] als gedaagde.
NJ 2009/491
En de veroordeelde verricht evenmin een daad van bekendheid als hij op de brief reageert door de mededeling dat er geen kopie van het vonnis was bijgesloten (HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ0652, NJ 2009/491; zie ook HR 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9154, NJ 2010/526).
ECLI:NL:PHR:2005:AT4071
Van een daad van bekendheid in de zin van artikel 84 lid 1 Rv is pas sprake als de veroordeelde ‘naar buiten’ een daad verricht waaruit ondubbelzinnig de bekendheid met de hoofdinhoud van het vonnis volgt (HR 23 september 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AT4071, NJ 2005/487).
NJ 2005/487
Van een daad van bekendheid in de zin van artikel 84 lid 1 Rv is pas sprake als de veroordeelde ‘naar buiten’ een daad verricht waaruit ondubbelzinnig de bekendheid met de hoofdinhoud van het vonnis volgt (HR 23 september 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AT4071, NJ 2005/487).
ECLI:NL:HR:2009:BJ1249
Het geding in feitelijke instanties Bangladesh heeft bij exploot van 15 november 2004 Tulip gedagvaard voor de rechtbank te 's-Hertogenbosch en verzet ingesteld tegen het vonnis van 14 mei 2003 van de rechtbank 's-Hertogenbosch waarbij bij verstek de ontbinding van het 'Commercial Contract' is toegewezen en Bangladesh is veroordeeld tot betaling van vervangende schadevergoeding ten bedrage van € 4.216.648,--. Tulip heeft de vordering bestreden en bij wege van incident onder meer gevorderd Bangladesh niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzet wegens overschrijding van de verzettermijn.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Burgerlijke zaken 2020 Vonnis no. Registratienummers: SXM201700889 – SXM2018H00115 Uitspraak: 11 december 2020 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba VONNIS in de zaak van: [Appellante], wonende op Sint Maarten, hierna te noemen: [Appellante], oorspronkelijk geopposeerde, eiseres in conventie en verweerster in reconventie, thans appellante, gemachtigde: E. Maduro, tegen [Geïntimeerde], wonende op Sint Maarten, hierna te noemen: [Geïntimeerde], oorspronkelijk opposante. gedaagde in conventie en eiseres in reconventie, thans geïntimeerde, gemachtigden: mrs.

N. de la Rosa en H. Kockx. 1Het verloop van de procedure 1.1. Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna Gerecht), wordt verwezen naar het tussen partijen uitgesproken vonnis van 26 juni 2018. De inhoud van dit vonnis geldt als hier ingevoegd. 1.2. [ [Appellante] is bij akte van appel op 17 juli 2018 in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis. In een op 27 augustus 2018 ingediende memorie van grieven, met producties, heeft zij vijf grieven voorgedragen en geconcludeerd: dat het Hof het bestreden vonnis vernietigt, en opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, alsnog [Geïntimeerde] niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde verzet tegen het vonnis van het Gerecht van 18 juli 2017, met veroordeling van [Geïntimeerde] in de kosten in beide instanties, zulks ook uitvoerbaar bij voorraad. 1.3. [ [Geïntimeerde] heeft in een memorie van antwoord, met producties, het hoger beroep bestreden en geconcludeerd tot bevestiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [Appellante] in de kosten. 1.4.

Op 9 oktober 2020, de voor schriftelijk pleidooi bepaalde dag, hebben de gemachtigden van partijen schriftelijke pleitnotities ingediend. 1.5. Vonnis is bepaald op heden. 2De ontvankelijkheid in het hoger beroep 2.1. Het bestreden vonnis is geen deelvonnis. Het bevat geen eindvonnisgedeelte. Immers wordt niet in het dictum aan het geschil omtrent enig deel van het gevorderde een einde gemaakt. 2.2. Voor tussentijds appel is daarom vergunning van het Hof nodig, te verzoeken binnen twee weken na de uitspraak van het tussenvonnis (artikel 263a lid 1 Rv). 2.3.

Het Hof is bereid een binnen die twee weken ingediende akte van appel als verzoek om vergunning aan te merken. In casu is echter de akte van appel (van 17 juli 2018) later dan twee weken na de uitspraak van het tussenvonnis (van 26 juni 2018) ingediend. 2.4. [ [Appellante] is daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep. Zij draagt de kosten van dit hoger beroep. 2.5. Ten overvloede overweegt het Hof het volgende. Naar het voorlopig oordeel van het Hof heeft het Gerecht terecht geoordeeld dat [Geïntimeerde] tijdig in verzet is gekomen. 2.6. Het vonnis is niet aan [Geïntimeerde] ‘in persoon’ betekend maar kennelijk aan een huisgenoot.

In dat geval begint de verzettermijn pas te lopen op de dag waarop (a) de veroordeelde enige daad heeft verricht waaruit noodzakelijk voortvloeit dat – de hoofdinhoud van (HR 12 februari 1997, NJ 1997/377) – het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging hem bekend is (artikel 84 lid 1 Rv); dan wel (b) het verstekvonnis ten uitvoer is gelegd (artikel 84 lid 2 Rv). 2.7. De maatstaf van artikel 84 lid 1 Rv houdt in dat de veroordeelde zelf een handeling moet hebben verricht waaruit ondubbelzinnig valt op te maken dat hij over voldoende gegevens met betrekking tot (de inhoud van) zijn veroordeling beschikt om zich daartegen tijdig en adequaat te kunnen verzetten (HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ0652, NJ 2009/491).

Van een daad van bekendheid in de zin van artikel 84 lid 1 Rv is pas sprake als de veroordeelde ‘naar buiten’ een daad verricht waaruit ondubbelzinnig de bekendheid met de hoofdinhoud van het vonnis volgt (HR 23 september 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AT4071, NJ 2005/487). Zo’n daad kan een uitlating of handeling in rechte zijn, zoals het in een (eventueel buitenlandse) procedure overleggen van het verstekvonnis (HR 2 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ1249, NJ 2009/480). De veroordeelde aan wie – bijvoorbeeld per aantekende post – een kopie van het vonnis wordt gestuurd dat hij persoonlijk in ontvangst neemt, pleegt geen daad waaruit de bekendheid met dat vonnis noodzakelijk voortvloeit (HR 18 november 1966, NJ 1967/34).

En de veroordeelde verricht evenmin een daad van bekendheid als hij op de brief reageert door de mededeling dat er geen kopie van het vonnis was bijgesloten (HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ0652, NJ 2009/491; zie ook HR 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9154, NJ 2010/526). Maar als de veroordeelde na ontvangst van het vonnis per post – bewijsbaar – kennisneemt van de inhoud van het vonnis doordat hij het leest, is dat wel een daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis hem bekend is (HR 2 mei 1958, NJ 1958/320; HR 11 mei 1990, NJ 1990/544).

Dat geldt echter niet voor het enkele aanhoren van het vonnis (HR 23 september 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AT4071, NJ 2005/487). Een daad van bekendheid van een derde – bijvoorbeeld een raadsman, vertegenwoordiger of werknemer van de veroordeelde – mag niet worden gelijkgesteld met een daad van bekendheid van de veroordeelde zelf (HR 8 april 1994, NJ 1994/755), behalve wanneer de daad van de derde in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden als een daad van de veroordeelde zelf (HR 11 mei 1990, NJ 1990/544). Maar als de raadsman of een vertegenwoordiger van de veroordeelde een daad van bekendheid pleegt, moet wel, behoudens bijzondere, door de veroordeelde aan te voeren omstandigheden, worden aangenomen dat daaraan een daad van bekendheid van de veroordeelde is voorafgegaan (HR 18 november 1966, NJ 1967/34).

B E S L I S S I N G Het Hof: - verklaart [Appellante] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep; - veroordeelt [Appellante] in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [Geïntimeerde] gevallen en tot op heden begroot op NAf 6.000,- aan gemachtigdensalaris en NAf 249,50 aan verschotten; - wijst de zaak terug naar het Gerecht voor verdere behandeling. Dit vonnis is gewezen door mrs. M.W. Scholte, F.W.J. Meijer en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en op 11 december 2020 ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken.