Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:OGHACMB:2018:16 ECLI:NL:OGHACMB:2018:16 AI generated

ECLI:NL:OGHACMB:2018:16 · Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Case Number ECLI:NL:OGHACMB:2018:16
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

LARAUA2017H00001 Datum uitspraak: 17 januari 2018 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Uitspraak op het hoger beroep van: de Stichting Middelbaar Onderwijs, gevestigd in Aruba, appellante, tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 23 januari 2017 in zaak nr. Lar 1719 van 2016, in het geding tussen: appellante en de minister van Onderwijs, Gezinsbeleid en Volwasseneducatie. Procesverloop Bij beschikking van 14 oktober 2014 heeft de minister een verzoek van appellante van 22 oktober 2013 om haar subsidie te verlenen voor de bekostiging van een uit Nederland uitgezonden docent Nederlands voor Colegio Arubano gedurende de periode van 3 januari 2013 tot 1 maart 2013 (hierna: de uitzending), afgewezen.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:OGHACMB:2018:16 · Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba: Anders dan voorheen beoordeelt de bestuursrechter dus niet meer ambtshalve of een rechtzoekende nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan zijn aanvraag of verzoek ten grondslag heeft gelegd. 2.3. Deze nieuwe jurisprudentie wordt met onmiddellijke ingang toegepast, omdat deze – zeker in twee-partijengeschillen – begunstigend kan zijn voor rechtzoekenden. Zij geldt voor iedere zaak, ongeacht de stand waarin de procedure over een beschikking op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een beschikking zich bevindt.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:OGHACMB:2012:BY7677
Procesverloop Bij beschikking van 23 november 2010 heeft de minister van Justitie en Onderwijs (hierna: de minister) een verzoek van appellante van 20 april 2010 om ten gunste van haar van onderscheiden landsbesluiten van 30 juni en 24 juli 2008 terug te komen afgewezen. Bij ongedateerde beschikking, waarvan een afschrift aan appellante is uitgereikt op 14 juni 2011, heeft de minister het door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 16 november 2011 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij het Gerecht ingekomen op 20 december 2011, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft nadere stukken ingediend. Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 oktober 2012, waar appellante in persoon en de minister, vertegenwoordigd door mr. F.A. Gibbs, advocaat, zijn verschenen.
ECLI:NL:RVS:2016:3131
Bij deze uitspraak is een persbericht uitgebracht.
ECLI:NL:CRVB:2016:4872
16/1880 PW-T Datum uitspraak: 20 december 2016 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 9 februari 2016, 15/2788 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] , zonder vaste woon- of verblijfplaats (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J.J. Weldam, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2016.
ECLI:NL:CBB:2017:190
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 16/223 18050 uitspraak van de meervoudige kamer van 24 mei 2017 in de zaak tussen Stedin Netbeheer B.V.
ECLI:NL:RVS:2017:1946
201604290/1/A1. Datum uitspraak: 19 juli 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellanten] (hierna in enkelvoud: [appellant]), wonend te Valburg, gemeente Overbetuwe, tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 3 mei 2016 in zaak nr. 14/8298 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Overbetuwe. Procesverloop Bij besluit van 16 september 2013 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast om voor 1 juli 2014 de exploitatie van een manege en een veehandelsbedrijf op het perceel [locatie A] in Valburg (hierna: het perceel) te beëindigen en beëindigd te houden en de paardenbak en de naast de woning gebouwde schuur voor die datum te verwijderen en verwijderd te houden.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

LARAUA2017H00001 Datum uitspraak: 17 januari 2018 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Uitspraak op het hoger beroep van: de Stichting Middelbaar Onderwijs, gevestigd in Aruba, appellante, tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 23 januari 2017 in zaak nr. Lar 1719 van 2016, in het geding tussen: appellante en de minister van Onderwijs, Gezinsbeleid en Volwasseneducatie. Procesverloop Bij beschikking van 14 oktober 2014 heeft de minister een verzoek van appellante van 22 oktober 2013 om haar subsidie te verlenen voor de bekostiging van een uit Nederland uitgezonden docent Nederlands voor Colegio Arubano gedurende de periode van 3 januari 2013 tot 1 maart 2013 (hierna: de uitzending), afgewezen.

Bij beschikking van 6 juni 2016 heeft de minister het door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 23 januari 2017 heeft het Gerecht het door appellante daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellante hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 november 2017, waar appellante, bijgestaan door mr. E.R. Zeppenfeldt, advocaat, en de minister, vertegenwoordigd door mr. J.O. Senchi, werkzaam bij Directie Wetgeving en Juridische Zaken, zijn verschenen.

Overwegingen 1. Het Gerecht heeft onder verwijzing naar zijn uitspraak van 14 maart 2016 in zaak nr. LAR 718/2015 overwogen dat appellante de minister eerder bij brief van 14 juni 2013 heeft verzocht subsidie voor de uitzending te verlenen en deze aanvraag bij beschikking van 14 juli 2013 is afgewezen. Appellante heeft tegen deze afwijzing geen rechtsmiddelen ingesteld. Het verzoek van 22 oktober 2013 is een verzoek om terug te komen van de in rechte onaantastbare beschikking van 14 juli 2013. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak van het Hof (onder meer de uitspraak van 14 december 2012, ECLI:NL:OGHACMB:2012:BY7677) heeft het Gerecht voorts overwogen dat niet kan worden aanvaard dat een op een dergelijk verzoek genomen en in bezwaar gehandhaafde beschikking door de bestuursrechter wordt getoetst als betrof het de eerste beschikking.

Slechts indien en voor zover aan het verzoek om terug te komen van een in rechte onaantastbare beschikking nieuwe feiten en veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd, dan wel zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan de op dit verzoek genomen beschikking, de motivering ervan en de wijze waarop zij tot stand is gekomen, door de bestuursrechter worden getoetst. Het Gerecht heeft overwogen dat appellante aan het verzoek van 22 oktober 2013 geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd en de minister terecht geen grond heeft gezien om terug te komen van de in rechte onaantastbare beschikking van 14 juli 2013.

Wijziging ne bis in idem-rechtspraak 2. Het Hof ziet aanleiding om in aansluiting bij de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie de uitspraak van 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3131), de Centrale Raad van Beroep (zie de uitspraak van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872) en het College van Beroep voor het bedrijfsleven (zie de uitspraak van 24 mei 2017, ECLI:NL:CBB:2017:190) zijn rechtspraak over herhaalde aanvragen en verzoeken om terug te komen van beschikkingen aan te passen. Dit betekent dat de bestuursrechter voortaan elke beschikking op een opvolgende aanvraag waarbij de aanvraag niet wordt ingewilligd, dan wel waarbij een verzoek om terug te komen van een in rechte onaantastbare beschikking is afgewezen, toetst in het licht van de daartegen aangevoerde beroepsgronden. 2.1.

Uitgangspunt is dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beschikking in volle omvang te heroverwegen. Het bestuursorgaan kan zo'n aanvraag inwilligen of afwijzen. Hetzelfde geldt, als een rechtzoekende het bestuursorgaan verzoekt terug te komen van een beschikking. Een bestuursorgaan mag dit ook als de rechtzoekende aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. 2.2. Als het bestuursorgaan de herhaalde aanvraag of het verzoek terug te komen van een beschikking op inhoudelijke gronden afwijst, dan toetst de bestuursrechter het besluit op die aanvraag of dat verzoek aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden als ware dit de oorspronkelijke beschikking op die aanvraag of dat verzoek.

Anders dan voorheen beoordeelt de bestuursrechter dus niet meer ambtshalve of een rechtzoekende nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan zijn aanvraag of verzoek ten grondslag heeft gelegd. 2.3. Deze nieuwe jurisprudentie wordt met onmiddellijke ingang toegepast, omdat deze – zeker in twee-partijengeschillen – begunstigend kan zijn voor rechtzoekenden. Zij geldt voor iedere zaak, ongeacht de stand waarin de procedure over een beschikking op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een beschikking zich bevindt.

Dit kan er in bepaalde gevallen toe leiden dat een uitspraak van een Gerecht die is gedaan voor deze uitspraak en waarin het Gerecht toepassing heeft gegeven aan de tot aan deze uitspraak vaste jurisprudentie wordt vernietigd. Hiertoe bestaat geen reden als de toepassing van de nieuwe jurisprudentie tot dezelfde uitkomst leidt, namelijk dat de beschikking van het bestuursorgaan waarbij de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een eerdere beschikking is afgewezen, in stand blijft. Toepassing van de nieuwe rechtspraak op dit geding 3.

Het verzoek is bij beschikking van 14 oktober 2014 op inhoudelijke gronden afgewezen. De afwijzing is bij beschikking van 6 juni 2016 op inhoudelijke gronden gehandhaafd.

4. Appellante betoogt dat door een senior policy advisor van de minister bij e-mailbericht van 21 oktober 2013 aan haar is bericht dat zij zo snel mogelijk een verzoek moest indienen voor extra subsidie, de minister dit verzoek voor akkoord zou ondertekenen en dan zou worden overgegaan tot betaling. Op 29 oktober 2013 heeft de minister het verzoek van 22 oktober 2013 ondertekend. Voorts volgt uit een e-mailbericht van 18 november 2014 van de senior policy advisor dat de minister de uitzending heeft goedgekeurd. De procedure op grond van de regeling inzake uit- en terugzendingsvoorzieningen ten behoeve van uit Nederland uitgezonden of gedetacheerde leerkrachten, geldig met ingang van het schooljaar 2001/2002 (hierna: de regeling), is niet gevolgd omdat in dit bijzondere geval meer docenten tegelijkertijd arbeidsongeschikt waren en een spoedgeval was ontstaan waarin de regeling niet voorziet en die noopt tot het maken van een uitzondering.

De minister heeft hiermee ingestemd en de weigering om de kosten van de uitzending te vergoeden is in strijd met het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel, aldus appellanten. 4.1. Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan alleen slagen als van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan concrete, ondubbelzinnige aan dat orgaan toe te rekenen toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Hiervan kan ook sprake zijn indien deze toezeggingen zijn gedaan door een persoon waarvan de betrokkene op goede gronden mocht veronderstellen dat deze de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1946).

Aan deze voorwaarden is niet voldaan. Uit de e‑mailberichten van de senior policy advisor volgt duidelijk dat niet hij, maar de minister het bevoegde orgaan is om op het verzoek te beslissen. Dat de senior policy advisor aan appellante heeft meegedeeld dat de minister het verzoek intern heeft goedgekeurd, brengt, nu appellante wist dat de minister het bevoegde orgaan is en deze mededeling niet van de minister afkomstig was, niet met zich dat appellante daaraan de rechtens te honoreren verwachting kon ontlenen dat het verzoek zou worden ingewilligd.

Van strijd met het vertrouwensbeginsel is derhalve geen sprake. Het rechtzekerheidsbeginsel, onder meer inhoudende dat het geldende recht moet worden toegepast, is evenmin geschonden, reeds omdat appellante de regeling niet heeft gevolgd en zij er daarom niet zonder meer van kon uitgaan dat haar verzoek zou worden ingewilligd. Het betoog faalt 5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. E.A. Saleh, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Wever, griffier. w.g. Saleh voorzitter w.g. Wever griffier Uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2018 Verzonden: 17 januari 2018 Voor eensluidend afschrift, de griffier, voor deze,