Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:OGHACMB:2017:30 ECLI:NL:OGHACMB:2017:30 AI generated

ECLI:NL:OGHACMB:2017:30 · Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Case Number ECLI:NL:OGHACMB:2017:30
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Burgerlijke zaken over 2017 Vonnis no.: Registratienummer: AR 3/15 - ghis 80793 - H 328/16 Uitspraak: 4 april 2017 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba V O N N I S in de zaak van: [APPELLANT], wonende op Bonaire, oorspronkelijk eiser in conventie, verweerder in reconventie, thans appellant, gemachtigde: mr. C. de Bres, tegen de naamloze vennootschap BONAIRE-HARBOUR SIDE N.V., gevestigd op Bonaire, oorspronkelijk gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, thans geïntimeerde, gemachtigden: mrs.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:OGHACMB:2017:30 · Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba: Volgens BHS is de Shopping Mall voor een deel op perceel D630 gebouwd. 2.2 In dit geding heeft [appellant] gevorderd, verkort weergegeven, dat de rechter voor recht verklaart dat [appellant] eigenaar is van het gehele perceel D630 met de daarop aanwezige opstallen, en dat BHS wordt veroordeeld dit perceel geheel ontruimd aan [appellant] op te leveren en "de in de muur van het transformatorhuisje aangebrachte doorgang" naar de Shopping Mall te dichten, onder straffe van verbeurte van dwangsommen. BHS heeft in reconventie gevorderd, verkort weergegeven, dat de rechter voor recht verklaart dat perceel D630 is bezwaard met een door verjaring ontstaan zelfstandig opstalrecht van BHS, en dat [appellant] wordt veroordeeld tot medewerking aan inschrijving van dit recht in de openbare registers.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2000:AA8289
Het geding in feitelijke instanties Met een op 22 mei 1997 gedateerd verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, en gevorderd naar aanleiding van de processen-verbaal van zwarigheden te bepalen op welke wijze de tussen hem en verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - ontbonden huwelijksgoederengemeenschap dient te worden gescheiden en gedeeld. De vrouw heeft een verweerschrift ingediend. Het Gerecht in Eerste Aanleg heeft bij vonnis van 5 januari 1998 voor wat betreft de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap een aantal beslissingen genomen zoals in het dictum van het vonnis omschreven en voor het overige de man een bewijsopdracht gegeven.
NJ 2001/301
ECLI:NL:HR:2007:AZ6220
Het geding in feitelijke instanties Met een op 1 oktober 2003 ter griffie van het gerecht in eerste aanleg van Aruba ingekomen verzoekschrift op verkorte termijn heeft verzoeker tot cassatie - verder te noemen: [verzoeker] - zich gewend tot dat gerecht en verzocht verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - te veroordelen om aan [verzoeker] te betalen een bedrag van Afl. 36.046,60, te vermeerderen met rente en incassokosten. Voorts heeft [verzoeker] verzocht het door hem gelegde conservatoire derdenbeslag van waarde te verklaren. [Verweerder] heeft de vordering bestreden. Het gerecht heeft bij vonnis van 16 juni 2004 de vordering afgewezen. Tegen dit vonnis heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba. Bij vonnis van 21 juni 2005 heeft het hof het vonnis van het gerecht bevestigd. Het vonnis van het hof is aan dit arrest gehecht.
NJ 2007/133
HR 23 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6220, NJ 2007/133).

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Burgerlijke zaken over 2017 Vonnis no.: Registratienummer: AR 3/15 - ghis 80793 - H 328/16 Uitspraak: 4 april 2017 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba V O N N I S in de zaak van: [APPELLANT], wonende op Bonaire, oorspronkelijk eiser in conventie, verweerder in reconventie, thans appellant, gemachtigde: mr. C. de Bres, tegen de naamloze vennootschap BONAIRE-HARBOUR SIDE N.V., gevestigd op Bonaire, oorspronkelijk gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, thans geïntimeerde, gemachtigden: mrs.

M.F. Murray en D.M. Wildeman. De partijen worden hierna [appellant] en BHS genoemd. 1Het verloop van de procedure 1.1 Bij akte van appel van 29 juni 2016 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 25 mei 2016 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Bonaire (verder: GEA). De akte bevat tevens een memorie van grieven, met producties. [appellant] heeft drie grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van [appellant] alsnog zal toewijzen en die van BHS alsnog zal afwijzen, met veroordeling van BHS in de proceskosten in beide instanties. 1.2 Bij memorie van antwoord, met producties, heeft BHS de grieven bestreden.

Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in hoger beroep. 1.3 Op 21 februari 2017 hebben partijen de zaak mondeling bepleit ten overstaan van het Hof in Curaçao. Mrs. De Bres en Wildeman hebben gepleit aan de hand van aantekeningen, die zij hebben overgelegd. Mr. Murray heeft eveneens het woord gevoerd. Verder zijn verschenen en gehoord: [appellant] jr. (zoon van de procespartij), en aan de zijde van BHS: [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Vonnis is gevraagd en bepaald op heden. 2De beoordeling 2.1 Tussen partijen staat het volgende vast. 2.1.1 Een perceel te Kralendijk, Bonaire, staat kadastraal bekend als afdeling 4, sectie D, nummer 630 (hierna: perceel 630).

Dit perceel behoorde sinds 1978 in eigendom toe aan de naamloze vennootschap Water en Energiebedrijf Bonaire N.V. (hierna: WEB). 2.1.2 In de jaren tachtig heeft BHS de Harborside Shopping Mall (hierna: de Shopping Mall) laten bouwen te Kralendijk. De Shopping Mall strekt zich over verschillende percelen uit. 2.1.3 In 2012 heeft [appellant] perceel D630 met het daarop gebouwde van WEB gekocht. Op 19 december 2012 heeft hij het geleverd gekregen. Blijkens art. 5 lid 2 van de leveringsakte heeft WEB aan [appellant] gegarandeerd dat het gekochte vrij is van aanspraken tot gebruik en dat het ook niet zonder recht of titel in gebruik is bij derden. 2.1.4 Volgens [appellant] gebruikt BHS thans (onder meer) een transformatorhuisje op perceel D630.

Volgens BHS is de Shopping Mall voor een deel op perceel D630 gebouwd. 2.2 In dit geding heeft [appellant] gevorderd, verkort weergegeven, dat de rechter voor recht verklaart dat [appellant] eigenaar is van het gehele perceel D630 met de daarop aanwezige opstallen, en dat BHS wordt veroordeeld dit perceel geheel ontruimd aan [appellant] op te leveren en "de in de muur van het transformatorhuisje aangebrachte doorgang" naar de Shopping Mall te dichten, onder straffe van verbeurte van dwangsommen. BHS heeft in reconventie gevorderd, verkort weergegeven, dat de rechter voor recht verklaart dat perceel D630 is bezwaard met een door verjaring ontstaan zelfstandig opstalrecht van BHS, en dat [appellant] wordt veroordeeld tot medewerking aan inschrijving van dit recht in de openbare registers.

Het GEA heeft de vorderingen in conventie afgewezen en die in reconventie grotendeels toegewezen. Daartoe heeft het GEA overwogen dat tijdens de bouw van de Shopping Mall het bezit van een zelfstandige opstalrecht aan BHS is verschaft, dat BHS dit opstalrecht daarna door verjaring heeft verkregen en dat de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit is verjaard (rov. 13-15). Hiertegen is het hoger beroep gericht. 2.3 Het betoog van [appellant] in hoger beroep komt er kort gezegd op neer dat de eerste rechter heeft miskend dat het gebruik van BHS van perceel D630 plaatsvond op grond van een met WEB gesloten overeenkomst.

Bij dergelijk gebruik is geen sprake van bezit, maar van houderschap. Inbezitneming heeft niet plaatsgehad. Zonder bezit kan BHS niet enig recht door verjaring hebben verkregen en kan er ook geen rechtsvordering tot beëindiging van bezit zijn verjaard, aldus [appellant]. 2.4 Het Hof zal dit betoog van [appellant] thans niet beoordelen, maar eerst het volgende aan de orde stellen met betrekking tot de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep. 2.5 In de tweede spreektermijn bij het pleidooi in hoger beroep heeft BHS zich beroepen op het leerstuk "misbruik van wanprestatie" en op het (klassieke) arrest Pos/van den Bosch.

Ter beoordeling staat of het Hof hierop acht kan slaan, gelet op het late stadium waarin dit betoog is gevoerd. 2.6 Bij conclusie van antwoord heeft BHS onder meer aangevoerd dat [appellant] uitermate bekend is met de plaatselijke situatie in Kralendijk en dat niet over het hoofd kan worden gezien dat BHS ten behoeve van de Shopping Mall circa tweederde deel van perceel D630 in gebruik heeft en dat het perceel nagenoeg geheel onderdeel is van de Shopping Mall, in ieder geval in zichtbare en bouwtechnische zin. Bij conclusie van dupliek heeft BHS onder meer aangevoerd dat toewijzing van de vordering van [appellant] zou betekenen dat de gehele Shopping Mall zou moeten worden opengebroken om een nieuwe constructie aan te leggen, en dat [appellant] bij zijn vordering slechts een beperkt belang heeft, nu hij op het perceel een jacuzzi wil plaatsen.

In de pleitnota in hoger beroep heeft BHS gesteld dat [appellant] al in 1988 op de hoogte was van de afspraken tussen BHS en WEB. Bij het mondelinge pleidooi (voorafgaande aan de tweede spreektermijn voor de advocaten) heeft T. [betrokkene 1] verklaard dat [appellant] ten tijde van de bouw van de Shopping Mall in elk geval bekend was met de plaatselijke situatie en met de voor eenieder zichtbare bouwkundige resultaten waartoe de afspraken tussen BHS en WEB hebben geleid, en wellicht ook met de afspraken zelf. [appellant] jr. heeft bij het mondelinge pleidooi verklaard dat dit niet zo is.

Aldus ligt het hiervoor in rov. 2.5 weergegeven betoog van BHS, hoewel het een nieuw juridisch verweer tegen toewijzing van de vordering van [appellant] is, in het verlengde van de feitelijke stellingen die BHS vanaf het begin van de procedure heeft betrokken. 2.7 Bij de beoordeling van de vraag in hoeverre een bij pleidooi in hoger beroep gevoerd nieuw betoog nog in de beoordeling kan worden betrokken, is mede van belang dat in het Caribische procesrecht, anders dan in dat van Nederland, de termijnen voor het wisselen van memories in hoger beroep niet kunnen worden verlengd en dat (mede daarom) het pleidooi in hoger beroep ook dient om eerder aangevoerde stellingen en weren niet alleen toe te lichten en te verbeteren, maar ook aan te vullen (HR 10 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8289, NJ 2001/301;

HR 23 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6220, NJ 2007/133). 2.8 Gelet op het voorgaande zal het Hof acht slaan op het hiervoor in rov. 2.5 weergegeven betoog van BHS, in die zin dat het de zaak naar de rol zal verwijzen om BHS in de gelegenheid te stellen dit betoog bij akte nader uit te werken, waarna [appellant] in de gelegenheid zal worden gesteld bij antwoordakte te reageren. Het Hof houdt iedere verdere beslissing aan. B E S L I S S I N G Het Hof: verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 2 mei 2017 voor akte aan de zijde van BHS (zie rov. 2.7); houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, T.A.M. Tijhuis en R.J. Celestijn, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 4 april 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.