Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:OGHACMB:2015:16 ECLI:NL:OGHACMB:2015:16 AI generated

ECLI:NL:OGHACMB:2015:16 · Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Case Number ECLI:NL:OGHACMB:2015:16
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

HLAR 73119/14 Datum uitspraak: 9 oktober 2015 gemeenschappelijk hof van jusTitie van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Uitspraak op het hoger beroep van: de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Bonaire, van 9 oktober 2014 in zaak nr. War BES 16 van 2014, in het geding tussen: [de vreemdeling] en appellant. Procesverloop Bij beschikking van 31 juli 2013 heeft appellant een aanvraag van [de vreemdeling] (hierna: [de vreemdeling]) om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd afgewezen.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:OGHACMB:2015:16 · Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba: Aan de beschikking van 22 april 2014 heeft appellant, onder verwijzing naar artikel 9, eerste lid, onder c, van de WTU-BES en artikel 5.33 van de BTU-BES, gelezen in verbinding met hoofdstuk 3, paragraaf 1.9.3.3, van de CTU-BES, ten grondslag gelegd dat [de vreemdeling], noch haar echtgenoot, kan aantonen dat zij over voldoende middelen van bestaan beschikt, aangezien haar echtgenoot USD 1.600,- per maand aan looninkomsten geniet.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:OGHNAA:2006:BG1605
Procesverloop Bij onderscheiden beschikkingen van 19 maart 2005, beide verzonden op 11 april 2005, heeft de Gezaghebber van het Eilandgebied Curaçao (hierna: de Gezaghebber) verzoeken van appellanten om verlening van een vergunning tot verblijf afgewezen. Bij uitspraak van 20 januari 2006 heeft het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao (hierna: het Gerecht), het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 14 februari 2006, bij het Gerecht ingekomen op 3 maart 2006, hoger beroep ingesteld. Bij brief, ingekomen op 22 september 2006, heeft de Gezaghebber van antwoord gediend. Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 september 2006, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. drs. B.W. Scheperboer, advocaat, en de Gezaghebber, vertegenwoordigd door mr. I.E.A. Doorstam, zijn verschenen.
ECLI:NL:OGHNAA:2006:BG2179
Procesverloop Bij beschikking van 23 maart 2004, verzonden op 20 april 2004, heeft de Gezaghebber van het Eilandgebied Curaçao (hierna: de Gezaghebber) namens de Minister van Justitie (hierna: de Minister) een aanvraag van appellante om verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf of tot verblijf afgewezen. Bij beschikking van 27 september 2005 heeft de Minister van Justitie het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 15 juni 2006 heeft het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao (hierna: het Gerecht), het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard.
ECLI:NL:OGHACMB:2012:BY7643
Procesverloop Bij beschikking van 10 september 2010 heeft de minister van Justitie (hierna: de minister) een aanvraag van appellante (hierna: de vreemdeling) om verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf afgewezen. Bij beschikking van 11 februari 2011 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 2 maart 2012 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij het Hof ingekomen op 12 april 2012, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn nadien aangevuld. Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 oktober 2012, waar de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. W.E. Fortin, advocaat, en de minister, vertegenwoordigd door mr. D.J. Victorina, werkzaam in dienst van het land, zijn verschenen.
ECLI:NL:OGHNAA:2006:BG2063
Procesverloop Bij beschikking van 20 september 2004 heeft het Bestuurscollege van het Eilandgebied Curaçao (hierna: het Bestuurscollege) geweigerd appellante vrijstelling van logeerbelasting te verlenen.
ECLI:NL:OGHNAA:2005:BF7447
Procesverloop Op 10 juli 2003 is ten behoeve van appellant om verlening van een verblijfsvergunning verzocht.
ECLI:NL:OGHNAA:2010:BN5941
Procesverloop Bij beschikking van 29 oktober 2007 heeft de minister van Justitie (hierna: de minister) een aanvraag van [vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf afgewezen. Bij uitspraak van 23 september 2009 heeft het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, (hierna: het Gerecht) het door de vreemdeling daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, die beschikking vernietigd, doch bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij het Hof ingekomen op 6 november 2009, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 mei 2010, waar de vreemdeling, bijgestaan door A. Moenir-Alam, advocaat, en de minister, vertegenwoordigd door mr. I.E.A. Doorstam, werkzaam in dienst van het Land, zijn verschenen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

HLAR 73119/14 Datum uitspraak: 9 oktober 2015 gemeenschappelijk hof van jusTitie van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Uitspraak op het hoger beroep van: de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Bonaire, van 9 oktober 2014 in zaak nr. War BES 16 van 2014, in het geding tussen: [de vreemdeling] en appellant. Procesverloop Bij beschikking van 31 juli 2013 heeft appellant een aanvraag van [de vreemdeling] (hierna: [de vreemdeling]) om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd afgewezen.

Bij beschikking van 22 april 2014 heeft appellant het door [de vreemdeling] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 9 oktober 2014 heeft het Gerecht het door [de vreemdeling] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, die beschikking vernietigd en appellant opgedragen om binnen vier weken opnieuw op het gemaakte bezwaar te beschikken, thans met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld. [de vreemdeling] heeft een verweerschrift ingediend. Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 augustus 2015, waar appellant, vertegenwoordigd door mrs.

L.M. Virginia en W.J. de Nijs, beiden advocaat, en [de vreemdeling], bijgestaan door mrs. M.M.A. Domingo-Van Lieshout en M. Bijkerk, beiden ook advocaat, zijn verschenen. Overwegingen 1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, onder c, van de Wet Toelating en Uitzetting BES (hierna: WTU-BES) kan de verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd door Onze Minister worden geweigerd, indien niet kan worden aangetoond dat degene, voor wie toelating wordt verzocht, over voldoende middelen van bestaan zal beschikken. Ingevolge artikel 5.33 van het Besluit Toelating en Uitzetting BES (hierna: het BTU-BES) zijn de in artikel 9, eerste lid, onder c van de WTU BES bedoelde middelen van bestaan voldoende, indien het bruto-inkomen ten minste gelijk is aan de door Onze Minister vast te stellen bedragen.

Volgens paragraaf 1.9.3.3 van de Circulaire Toelating en Uitzetting BES (hierna: de CTU-BES), onder 2, worden ten aanzien van verblijf in het kader van gezinshereniging middelen van bestaan aangemerkt als voldoende, als het bruto-inkomen minimaal USD 1.680,- per maand is.

2. Aan de beschikking van 22 april 2014 heeft appellant, onder verwijzing naar artikel 9, eerste lid, onder c, van de WTU-BES en artikel 5.33 van de BTU-BES, gelezen in verbinding met hoofdstuk 3, paragraaf 1.9.3.3, van de CTU-BES, ten grondslag gelegd dat [de vreemdeling], noch haar echtgenoot, kan aantonen dat zij over voldoende middelen van bestaan beschikt, aangezien haar echtgenoot USD 1.600,- per maand aan looninkomsten geniet.

3. Appellant betoogt primair dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat hij zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat [de vreemdeling] niet over onvoldoende middelen van bestaan beschikt. Daartoe voert hij aan dat [de vreemdeling] bij de aanvraag, noch in bezwaar, stukken heeft overgelegd om aan te tonen dat zij ook over inkomsten in natura zal beschikken. Dit is voor het eerst in rechte gebeurd en dus tardief. Het Gerecht heeft dan ook ten onrechte betekenis gehecht aan de voor het eerst ter zitting door [de vreemdeling] inzake het inkomen in natura van haar echtgenoot overgelegde gegevens, aldus appellant. 3.1 Dat betoog slaagt.

Zoals het Hof eerder heeft overwogen (uitspraken van 27 november 2006 in de zaken nr. 132 HLAR 06/06, ECLI:NL:OGHNAA:2006:BG1605 en nr. 155 HLAR 29/06, ECLI:NL:OGHNAA:2006:BG2179 en in de uitspraak van 14 december 2012, in de zaak nr. HLAR 47941/12, ECLI:NL:OGHACMB:2012:BY7643), moet in de fase van de bestuurlijke besluitvorming worden gesteld en aangetoond dat aan de voor de vergunningverlening gestelde eisen wordt voldaan en kan dit in de regel niet voor het eerst in rechte gebeuren. Voorts dient ingevolge artikel 5.50 van het BTU-BES de vreemdeling bij de aanvraag tot het verlenen, wijzigen of verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd in ieder geval een geldig document voor grensoverschrijding over te leggen, alsmede, voor zover redelijkerwijs mogelijk, de gegevens en bescheiden, op basis waarvan kan worden vastgesteld dat aan de voor verlening, wijziging of verlenging gestelde vereisten wordt voldaan.

Aldus was het aan [de vreemdeling] om in de fase van de bestuurlijke besluitvorming tegenover appellant te stellen en aan te tonen dat aan het vereiste van voldoende inkomen wordt voldaan. Niet in geschil is dat zij dat bij de aanvraag, noch in bezwaar, heeft gedaan. Nu [de vreemdeling] voorts niet heeft gesteld, dat en waarom zij de aanvullende stukken betreffende het inkomen in natura niet reeds bij de aanvraag of in bezwaar heeft kunnen overleggen, heeft het Gerecht ten onrechte in de door [de vreemdeling] voor het eerst tijdens de behandeling bij het Gerecht overgelegde stukken aanleiding gevonden om de bij hem bestreden beschikking te vernietigen.

4. Het hoger beroep is reeds om deze reden gegrond. Hetgeen appellant voor het overige heeft betoogd, behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen het Gerecht had behoren te doen, beoordeelt het Hof de beschikking van 22 april 2014 aan de hand van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden.

5. Het betoog van [de vreemdeling] dat de beschikking van 22 april 2014 in strijd is met evenredigheidsbeginsel, omdat aan de belangen, gediend met haar toelating, meer gewicht dienen toe te komen, dan de belangen, gediend met de weigering daartoe, faalt, reeds omdat een beroep op een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur niet kan leiden tot een verplichting voor een bestuursorgaan om een beschikking te geven in strijd met een algemeen verbindend voorschrift (vergelijk de uitspraak van 27 november 2006 in zaak nr. 144 HLAR 17/06, ECLI:NL:OGHNAA:2006:BG2063).

Voor zover [de vreemdeling] aldus heeft beoogd te betogen dat appellant van het terzake gevoerde beleid diende af te wijken, faalt dat evenzeer, nu geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld, die appellant daartoe noopten. 6. [ De vreemdeling] betoogt voorts dat het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven, als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, door de weigering is geschonden. 6.1. Dat betoog faalt evenzeer. Omdat de beschikking van 22 april 2014 er niet toe strekte [de vreemdeling] een verblijfstitel te ontnemen die haar tot familie- of gezinsleven met haar echtgenoot hier te lande in staat stelde, levert de afwijzing geen inmenging, als bedoeld in die verdragsbepaling, op (vergelijk onder meer de uitspraken van 30 mei 2005 in zaak nr. 56 HLAR 25/04, ECLI:NL:OGHNAA:2005:BF7447, 19 juli 2010 in zaak nr. HLAR 079/09, ECLI:NL:OGHNAA:2010:BN5941 en 25 januari 2011 in zaak nr. HLAR 038/10, ECLI:NL:OGHACMB:2011:BQ0628).

Voorts bestond voor appellant geen positieve verplichting om in het verblijf van [de vreemdeling] hier te lande te berusten, hoewel het gevoerde beleid niet in toelating voorziet. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat aan [de vreemdeling] niet eerder toelating was verleend en zij niet heeft gesteld en aannemelijk gemaakt dat voor haar en haar echtgenoot objectieve belemmeringen bestaan om het familie- of gezinsleven in de Dominicaanse Republiek, het land van hun beider herkomst, voort te zetten. Dat dit, als gesteld, niet aantrekkelijk is, vormt geen zodanige belemmering.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding Beslissing Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius, en Saba, zittingsplaats Bonaire, van 9 oktober 2014 in zaak nr. War BES 16/14; III. verklaart het bij het Gerecht in die zaak ingestelde beroep ongegrond; IV. verstaat dat de griffier aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van 168 USD (zegge: eenhonderdachtenzestig dollar) teruggeeft. Aldus vastgesteld door mr. E.J. van der Poel, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.B. de Haseth, griffier. w.g. Van der Poel voorzitter w.g. De Haseth griffier Uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2015 Verzonden: Voor eensluidend afschrift,de griffier,voor deze,