Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:OGEAC:2022:261 ECLI:NL:OGEAC:2022:261 AI generated

ECLI:NL:OGEAC:2022:261 · Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Case Number ECLI:NL:OGEAC:2022:261
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Uitspraak van 18 augustus 2022 BBZ nrs. CUR202102722, CUR202102723 en CUR202102730 t/m CUR202102732 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO UITSPRAAK op het beroep in de zin van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken van: [Belanghebbende], gevestigd te Curaçao, belanghebbende, gericht tegen: DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao, de Inspecteur. 1PROCESVERLOOP 1.1 Aan belanghebbende zijn op 5 oktober 2018 naheffingsaanslagen omzetbelasting over de jaren 2013 t/m 2017 opgelegd ten bedrage van elk NAf 14.400. Daarbij zijn vergrijpboetes opgelegd wegens het te weinig betalen van belasting van elk NAf 3.600 (25%). 1.2 Belanghebbende heeft op 16 oktober 2018 tegen de naheffingsaanslagen en boetes bezwaar gemaakt. 1.3 De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 29 maart 2021 de naheffingsaanslagen en de boetes gehandhaafd. 1.4 Belanghebbende heeft op 22 september 2021 via e-mail beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:OGEAC:2022:261 · Gerecht in eerste aanleg van Curaçao: Dit brengt mee dat de beroepstermijn is aangevangen op 7 juli 2021. Het beroepschrift is ingediend op 22 september 2021, dat is buiten de termijn van twee maanden en dus te laat. 4.6 Een niet-ontvankelijkverklaring van een beroep op grond van termijnoverschrijding blijft op grond van artikel 5, lid 5, Landsverordening op het beroep in belastingzaken echter achterwege ingeval van bijzondere omstandigheden. Belanghebbende heeft gesteld dat zij pas op 29 juli 2021 op de hoogte is gekomen van de uitspraken op bezwaar. Belanghebbende resteert op die datum nog een beroepstermijn van (meer dan) zes weken. 4.7 Als met vertraging is kennisgenomen van een uitspraak op bezwaar geldt dat het beroep zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk moet worden ingediend.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2019:1102
Hoge Raad der Nederlanden Derde Kamer Nr.
ECLI:NL:OGHACMB:2018:147
BON2016H00001, BON2016H00002 en BON2017H00001 Datum uitspraak: 8 juni 2018 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Uitspraak op het hoger beroep van: [ X ] N.V., gevestigd te Bonaire, appellante (belanghebbende), tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (het Gerecht) van 6 april 2016, BBZ nrs. 62591, 62592 van 2013 en 76417 van 2015 in het geding tussen: belanghebbende, en de inspecteur der belastingen in Bonaire, verweerder (de Inspecteur), 1Procesverloop Betreffende de zaak BON2017H00001 1.1.
ECLI:NL:OGHACMB:2019:159
Uitspraak AUA2019H00011 en AUA2019H00019 Datum uitspraak: 12 augustus 2019 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Uitspraak op het hoger beroep van: X, wonend in Aruba, appellant (hierna: belanghebbende), tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (het Gerecht) van 14 december 2018 in de zaken BBZ nrs. AUA201802151 en AUA201802152, in het geding tussen: belanghebbende en de inspecteur der belastingen in Aruba, verweerder (hierna: de Inspecteur). 1.Procesverloop 1.1.
ECLI:NL:OGHACMB:2018:164
betalingen in rekening courant is het ter beschikking stellen van geld en is sowieso niet onderworpen aan OB.
ECLI:NL:HR:2016:252
19 februari 2016 nr. 14/03907 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van de erfgenaam van [A] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 1 juli 2014, nr. BK-13/00675, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. AWB 10/2071‑isv) betreffende het verzoek van belanghebbende om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2016:2712
2 december 2016 nr. 16/01713 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 23 februari 2016, nr. AWB 15/2802, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Uitspraak van 18 augustus 2022 BBZ nrs. CUR202102722, CUR202102723 en CUR202102730 t/m CUR202102732 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO UITSPRAAK op het beroep in de zin van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken van: [Belanghebbende], gevestigd te Curaçao, belanghebbende, gericht tegen: DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao, de Inspecteur. 1PROCESVERLOOP 1.1 Aan belanghebbende zijn op 5 oktober 2018 naheffingsaanslagen omzetbelasting over de jaren 2013 t/m 2017 opgelegd ten bedrage van elk NAf 14.400. Daarbij zijn vergrijpboetes opgelegd wegens het te weinig betalen van belasting van elk NAf 3.600 (25%). 1.2 Belanghebbende heeft op 16 oktober 2018 tegen de naheffingsaanslagen en boetes bezwaar gemaakt. 1.3 De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 29 maart 2021 de naheffingsaanslagen en de boetes gehandhaafd. 1.4 Belanghebbende heeft op 22 september 2021 via e-mail beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar.

Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van NAf 150. 1.5 De Inspecteur heeft op 10 mei 2022 een verweerschrift ingediend. 1.6 De zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2022 te Willemstad. Namens belanghebbende is verschenen [A] (directeur grootaandeelhouder). Namens de Inspecteur zijn verschenen [B] en [C]. Gelijktijdig zijn daar de zaken met nummers CUR202102716, CUR202102717, CUR202102719 t/m CUR202102721 van [MPI] N.V. en de zaken met nummers CUR202102710 t/m CUR202102713 en CUR202102727 t/m CUR202102729 van [MTHES] N.V. behandeld. 2FEITEN 2.1 De Stichting belastingaccountantsbureau (hierna:

SBAB) heeft bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting voor de jaren 2013 t/m 2015. Voor de jaren 2016 en 2017 is een advies gegeven over op te leggen (taxatieve) naheffingsaanslagen. Met dagtekening 7 augustus 2018 is het rapport door SBAB vastgesteld. 2.2 De aandelen van belanghebbende zijn volledig in het bezit van [OH] N.V. De heer [MM] is directeur en middellijk aandeelhouder van belanghebbende. 2.3 Belanghebbende maakt sinds 1 januari 2004 deel uit van een fiscale eenheid voor de winstbelasting.

Onderdeel van deze fiscale eenheid zijn [OH] N.V. (moedermaatschappij), [MTHES] N.V., [MPI] N.V., [MI] N.V., [MGC] N.V., [MCS] N.V. en belanghebbende. 2.4 Belanghebbende is in bezit van een pand en een loods. Deze worden ter beschikking gesteld aan [MTHES] N.V. (zie 2.2 BAB-rapport). 3GESCHIL 3.1 In geschil is of de naheffingsaanslagen terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Daarnaast zijn de boetes in geschil. 3.2 Belanghebbende stelt dat geen vergoeding in rekening gebracht wordt over het ter beschikking stellen van de loods, er derhalve geen sprake is van een belastbare prestatie voor de omzetbelasting en dat de naheffingsaanslagen daarom vernietigd dienen te worden.

Belanghebbende concludeert daarnaast tot vernietiging van de opgelegde boetes. 3.3 De Inspecteur stelt dat de vergoeding voor het ter beschikking stellen van de loods bestaat uit het door [MTHES] N.V. betalen van kostenfacturen, dat deze vergoeding niet zakelijk is, dat dan de vergoeding dient te worden gesteld op de waarde in het economisch verkeer en dat de naheffingsaanslagen derhalve terecht zijn opgelegd. De boetes zijn naar de mening van de Inspecteur terecht opgelegd. 4OVERWEGINGEN Ontvankelijkheid beroep 4.1 In artikel 31, lid 1, Algemene landsverordening Landsbelastingen (hierna:

ALL) is bepaald dat degene die bezwaar heeft tegen een door de Inspecteur gedane uitspraak, binnen twee maanden na de dagtekening van de uitspraak een beroepschrift kan indienen bij het Gerecht. 4.2 De onderhavige uitspraken op bezwaar zijn gedagtekend op 29 maart 2021. Het beroepschrift is op 22 september 2021 ingediend. Dit beroepschrift is dus buiten de wettelijke termijn van twee maanden ingediend. 4.3 De regel dat beroep moet worden ingediend binnen twee maanden na dagtekening van de uitspraak op bezwaar leidt uitzondering indien de uitspraak na de datum van dagtekening is bekendgemaakt.

In dat geval vangt de termijn voor het instellen van beroep op de dag na bekendmaking. Bekendmaking van de uitspraak kan geschieden door terpostbezorging (vgl. Hoge Raad 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1102). 4.4 Belanghebbende heeft gesteld dat de uitspraken op bezwaar pas na de datum van dagtekening ter post zijn bezorgd. De poststempel op de enveloppe waarin de uitspraken op bezwaar, aldus belanghebbende, zijn verzonden, heeft als datum 6 juli 2021. Belanghebbende stelt dat hij de uitspraken op bezwaar vervolgens pas op 29 juli 2021 heeft ontvangen. 4.5 Gelet op de poststempel moet aangenomen worden dat de uitspraken uiterlijk op 6 juli 2021 ter post zijn bezorgd.

Dit brengt mee dat de beroepstermijn is aangevangen op 7 juli 2021. Het beroepschrift is ingediend op 22 september 2021, dat is buiten de termijn van twee maanden en dus te laat. 4.6 Een niet-ontvankelijkverklaring van een beroep op grond van termijnoverschrijding blijft op grond van artikel 5, lid 5, Landsverordening op het beroep in belastingzaken echter achterwege ingeval van bijzondere omstandigheden. Belanghebbende heeft gesteld dat zij pas op 29 juli 2021 op de hoogte is gekomen van de uitspraken op bezwaar. Belanghebbende resteert op die datum nog een beroepstermijn van (meer dan) zes weken. 4.7 Als met vertraging is kennisgenomen van een uitspraak op bezwaar geldt dat het beroep zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk moet worden ingediend.

Behoudens bijzondere omstandigheden merkt het Gerecht een termijn van ten minste twee weken aan als ‘zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk’ (vgl. GHvJ 8 juni 2018, ECLI:NL:OGHACMB:2018:147). Deze termijn van twee weken is evenwel niet relevant, nu belanghebbende na kennisneming van de uitspraken op bezwaar nog een beroepstermijn resteerde van ruim zes weken (vgl. GHvJ 12 augustus 2019, ECLI:NL:OGHACMB:2019:159). Belanghebbende heeft buiten de beroepstermijn beroep ingesteld, zodat het beroep niet-ontvankelijk is. Aan een inhoudelijke behandeling komt het Gerecht niet toe.

Immateriële schadevergoeding 4.8 Belanghebbende heeft in zijn beroepschrift verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. 4.9 Overschrijding van de redelijke termijn behoort te leiden tot een vergoeding van immateriële schade, afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden (vgl. GHvJ 18 oktober 2018, ECLI:NL:OGHACMB:2018:164). De Hoge Raad hanteert als uitgangspunt dat de redelijke termijn is overschreden als de rechter niet binnen twee jaar uitspraak doet na het moment dat de Inspecteur het bezwaarschrift heeft ontvangen (zie het overzichtsarrest HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252).

Bij deze toerekening heeft als regel te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijft, en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt. Daarbij wordt voor het bedrag aan schadevergoeding uitgegaan van een tarief van NAf 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond (vgl. GHvJ 18 oktober 2018, ECLI:NL:OGHACMB:2018:164). 4.10 In een geval als het onderhavige, waarbij het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, kan een vergoeding van immateriële schade alleen plaatsvinden als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn voor zover toe te rekenen aan de procedure bij het Gerecht.

De niet-ontvankelijkverklaring van het beroep brengt immers mee dat het optreden van het bestuursorgaan niet meer aan het oordeel van de rechter is onderworpen (vgl. HR 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2712). 4.11 Vast staat dat belanghebbende op 22 september 2021 beroep heeft ingesteld en dat de beroepsfase is afgesloten met onderhavige uitspraak van 18 augustus 2022. De behandeling van het beroep heeft derhalve in totaal minder dan anderhalf jaar geduurd, hetgeen betekent dat een eventuele overschrijding van de redelijke termijn niet kan worden toegerekend aan de procedure bij het Gerecht.

Voor een schadevergoeding is daarom geen aanleiding. 5PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten of het griffierecht. 6DE BESLISSING Het Gerecht: - verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gegeven door mr. drs. M.M. de Werd, rechter, en uitgesproken op 18 augustus 2022, in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.C.M.J. Bucx. De griffier, De rechter, Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden. HOGER BEROEP Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer) Emancipatie Boulevard Dominico “Don” Martina 18 Willemstad Curaçao U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende: a. de naam en het adres van de indiener, b. de dagtekening, c. waartegen u in beroep komt, d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep). Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie: belastinggriffie@caribjustitia.org. Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd: - natuurlijke personen: NAf 200 - personenvennootschappen en rechtspersonen: NAf 500