Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:OGEAC:2022:145 ECLI:NL:OGEAC:2022:145 AI generated

ECLI:NL:OGEAC:2022:145 · Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Case Number ECLI:NL:OGEAC:2022:145
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO Zaaknummer: CUR201400484 (eerder AR 70097/2014) Vonnis van 16 mei 2022 1. de vennootschap naar het recht van Koeweit MAHMOUD HAIDER & SONS TRADING & CONTRACTING CO. (“MHS”), gevestigd in Koeweit, 2. de naamloze vennootschap CORDIAL N.V. (“Cordial”), gevestigd in Curaçao, eisers, gemachtigden: mrs. M.W.J.H. Welten en S.H. Barten, tegen de vennootschap naar het recht van Koeweit BAB AL-MUSTAQBAL REAL ESTATE CO. (“Bab”), gevestigd in Koeweit, gedaagde, gemachtigden: mrs. C. de Bres en P.M. Noordhoek.

Legislator headnote

AI generated

artikel 2:250 BW; ECLI:NL:OGEAC:2022:145 · Gerecht in eerste aanleg van Curaçao: Na vernietiging en terugverwijzing (HR 11 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:257) heeft het Hof bij beschikking van 23 januari 2018 (niet gepubliceerd) alsnog een enquête gelast. Het tegen die beslissing ingestelde cassatieberoep is op 8 maart 2019 door de Hoge Raad verworpen (ECLI:NL:HR:2019:316). 2.3. Bij beschikking van 22 juni 2021 (ECLI:NL:OGHACMB:2021:141) heeft het Hof vastgesteld dat uit het verslag van de benoemde deskundige blijkt dat de gang van zaken rond de emissies in 2010 getuigt van wanbeleid bij (onder meer) Cordial en heeft het Hof de aan Intertrust als bestuurder verleende decharge, waar het gaat om deze emissies, vernietigd.

Keywords

AI generated
artikel 2:250 BW

Cited Legislation

AI generated
artikel 2:250 BW
Bab heeft verzocht om aanhouding van deze uitkoopprocedure, waartoe zij onder meer aanvoert dat, indien de emissiebesluiten alsnog ongeldig blijken, MHS niet het voor een uitkoop op de voet van artikel 2:250 BW vereiste meerderheidsbelang van 95% heeft.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2016:257
19 februari 2016 Nr. 14/06198 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van de erfgenaam van [A] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 12 november 2014, nr. BK‑13/01769, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. AWB 07/2658) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2002 opgelegde voorlopige aanslag en aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en het verzoek van belanghebbende om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
ECLI:NL:HR:2019:316
8 maart 2019 Eerste Kamer 18/01671 TT/EE Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: De rechtspersoon naar vreemd recht [bedrijfsnaam] ,gevestigd te [vestigingsplaats], Koeweit, VERZOEKSTER tot cassatie, advocaat: mr. F.E. Vermeulen, t e g e n 1. de vennootschap naar het recht van Curaçao CORDIAL N.V., gevestigd te Curaçao, VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen, 2. de vennootschap naar het recht van Curaçao TURNHAM N.V., gevestigd te Curaçao, VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen, 3. de rechtspersoon naar vreemd recht BAB-AL MUSTAQBAL REAL ESTATE CO.,gevestigd te Koeweit-Stad, Koeweit, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: J.W.H. Van Wijk, 4. de vennootschap naar het recht van Curaçao INTERTRUST B.V.,gevestigd te Curaçao, VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [bedrijfsnaam] en Cordial, Turnham, Bab en Intertrust.
ECLI:NL:OGHACMB:2021:141
Het verloop van de procedure 1.1.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO Zaaknummer: CUR201400484 (eerder AR 70097/2014) Vonnis van 16 mei 2022 1. de vennootschap naar het recht van Koeweit MAHMOUD HAIDER & SONS TRADING & CONTRACTING CO. (“MHS”), gevestigd in Koeweit, 2. de naamloze vennootschap CORDIAL N.V. (“Cordial”), gevestigd in Curaçao, eisers, gemachtigden: mrs. M.W.J.H. Welten en S.H. Barten, tegen de vennootschap naar het recht van Koeweit BAB AL-MUSTAQBAL REAL ESTATE CO. (“Bab”), gevestigd in Koeweit, gedaagde, gemachtigden: mrs. C. de Bres en P.M. Noordhoek.

1Het verloop van de procedure

Het procesverloop na het tussenvonnis van 7 november 2016 blijkt uit: - de aktes van partijen van 7 maart 2022; - de aktes van partijen van 4 april 2022. Uitspraak is bepaald op vandaag. 2De verdere beoordeling 2.1. Bij het vonnis van 7 november 2016 is de beslissing op het verzoek van MHS en Cordial tot uitkoop van Bab als minderheidsaandeelhouder aangehouden in afwachting van de uitspraak van de Hoge Raad op het door Bab ingestelde cassatieberoep tegen de afwijzing van Babs verzoek een enquête te gelasten naar het beleid bij (onder meer) Cordial. 2.2.

Na vernietiging en terugverwijzing (HR 11 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:257) heeft het Hof bij beschikking van 23 januari 2018 (niet gepubliceerd) alsnog een enquête gelast. Het tegen die beslissing ingestelde cassatieberoep is op 8 maart 2019 door de Hoge Raad verworpen (ECLI:NL:HR:2019:316). 2.3. Bij beschikking van 22 juni 2021 (ECLI:NL:OGHACMB:2021:141) heeft het Hof vastgesteld dat uit het verslag van de benoemde deskundige blijkt dat de gang van zaken rond de emissies in 2010 getuigt van wanbeleid bij (onder meer) Cordial en heeft het Hof de aan Intertrust als bestuurder verleende decharge, waar het gaat om deze emissies, vernietigd.

Voor het overige zijn de verzoeken van Bab afgewezen. Over de door Bab verlangde vernietiging van de aandelenemissie overwoog het Hof onder meer het volgende: “2.20 Voor vernietiging van de emissiebesluiten zijn de grove procedurele verzuimen – het wanbeleid – geen toereikende grond. Het belang van de Vennootschappen is door de wijze van emitteren niet (wezenlijk) geschaad en het is ook niet in het belang van de Vennootschappen om die besluiten na al die jaren nog te vernietigen. Verbetering van de verhoudingen is van een dergelijk ingrijpen niet te verwachten en de uitkoop van Bab is aanstaande.

Het gaat dan al met al om het (vermogensrechtelijke) belang van Bab. Voor zover dat belang gelet op de doelstellingen van de enquêteprocedure al reden zou kunnen zijn om een dergelijke voorziening te treffen als het belang van de Vennootschappen daarmee niet is gediend, geldt dat vooralsnog ook geenszins vaststaat dat het belang van Bab werkelijk is tekortgedaan. (…)” 2.4. Tegen deze laatste beschikking van het Hof in de enquêtezaak is door Bab cassatieberoep ingesteld. Blijkens de door Bab in het onderhavige geding genomen aktes beklaagt Bab zich er in cassatie over dat het Hof niet is overgegaan tot vernietiging van de emissiebesluiten en niet is ingegaan op de argumenten van Bab over de nietigheid van de emissies.

Op dit cassatieberoep is nog niet beslist. 2.5. Bab heeft verzocht om aanhouding van deze uitkoopprocedure, waartoe zij onder meer aanvoert dat, indien de emissiebesluiten alsnog ongeldig blijken, MHS niet het voor een uitkoop op de voet van artikel 2:250 BW vereiste meerderheidsbelang van 95% heeft. 2.6. Het gerecht ziet ook nu aanleiding om, zoals door Bab verzocht, de beslissing in deze uitkoopprocedure aan te houden in afwachting van de uitkomst van het cassatieberoep in de enquêtezaak. Het door MHS en Cordial gestelde belang bij uitkoop - er kleven bezwaren aan het dulden van een kleine minderheidsaandeelhouder, zoals de verplichte inachtneming van (oproepings)formaliteiten voor de algemene vergadering van aandeelhouders - weegt ook nu niet op tegen het door Bab gestelde belang bij aanhouding. 2.7.

De zaak zal naar de parkeerrol worden verwezen voor het nemen van aktes. 2.8. MHS en Cordial zullen zich in de door hen te nemen akte ook kunnen uitlaten over de vraag in welke hoedanigheid MHS thans aan dit geding deelneemt. In de kop van haar laatste akte staat als eiseres, naast Cordial, vermeld: “INTERNATIONAL BUSINESS HOLDING Co. (“IBH”), althans MAHMOUD HAIDER & SONS TRADING & CONTRACTING CO. (“MHS”), gevestigd in Koeweit”. Onduidelijk is vooralsnog of MHS nog optreedt voor zichzelf, als lasthebber van IBH op eigen naam, of dat het de bedoeling is dat IBH als rechtsopvolger van MHS de positie van MHS als procespartij overneemt. 3Beslissing Het Gerecht: 3.1. verwijst de zaak naar de parkeerrol voor akte uitlating na uitspraak Hoge Raad zijdens beide partijen en voor akte zijdens MHS als bedoeld onder 2.8; 3.2. bepaalt dat partijen vervolgens op een door de rolrechter te bepalen datum ieder een antwoordakte zullen kunnen nemen; 3.3. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2022.