Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:OGEAC:2021:149 ECLI:NL:OGEAC:2021:149 AI generated

ECLI:NL:OGEAC:2021:149 · Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Case Number ECLI:NL:OGEAC:2021:149
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Uitspraak van 18 augustus 2021 BBZ nr. CUR202003427 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO UITSPRAAK Na vereenvoudigde behandeling in de zin van artikel 7a van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken van het verzoek om vergoeding van proceskosten in het geding tussen: [Belanghebbende], gevestigd te Curaçao, belanghebbende, en: DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao, de Inspecteur. 1PROCESVERLOOP 1.1 Aan belanghebbende is op 31 december 2019 een naheffingsaanslag winstbelasting voor het jaar 2018 opgelegd van NAf 18.000. Daarbij is een verzuimboete opgelegd van NAf 2.700 vanwege het niet tijdig doen van aangifte. 1.2 Belanghebbende heeft op 25 februari 2020 daartegen bezwaar gemaakt. 1.3 De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 22 juni 2020 de naheffingsaanslag winstbelasting verminderd naar nihil en de boete tot NAf 2.500. 1.4 Belanghebbende heeft op 19 augustus 2020 beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de boete.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:OGEAC:2021:149 · Gerecht in eerste aanleg van Curaçao: Het verzoek moet worden gedaan voordat de Inspecteur op het bezwaar heeft beslist. De regels over de (hoogte van de) vergoeding zijn neergelegd in artikel 6.4 van de Ministeriële regeling formeel belastingrecht. 2.6 Ingevolge artikel 15, vierde lid van de ALL is de belastingplichtige gehouden om uiterlijk op de laatste dag van de zesde maand na afloop van het boekjaar over dat jaar definitieve aangifte te doen. In artikel 15, vijfde lid van de ALL neemt de Inspecteur een schriftelijk gemotiveerde beslissing binnen vijftien dagen na ontvangst van een verzoek.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:OGEAC:2020:53
Uitspraak van 17 maart 2020 BBZ nr.
ECLI:NL:HR:2019:1224
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 19/00218 Datum 19 juli 2019 ARREST In de zaak van [X] te Curaçao (hierna: belanghebbende) tegen de MINISTER VAN FINANCIËN VAN CURAÇAO op het beroep in cassatie gericht tegen de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 20 november 2018, nrs. CUR2018H00027 en CUR2018H00028, op het hoger beroep van de inspecteur der belastingen in Curaçao tegen een uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (nrs. CUR201600172 en CUR201600173) betreffende de aan belanghebbende over het jaar 2009 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en premie Algemene Verzekering Bijzondere Ziektekosten. De uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:OGEAC:2018:249
Uitspraak van 4 oktober 2018 BBZ nr.
ECLI:NL:OGEAC:2020:189
BBZ nr. CUR201902991 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO UITSPRAAK op het beroep in de zin van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken van: [Belanghebbende], gevestigd te Curaçao, belanghebbende, gericht tegen: DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao, de Inspecteur. 1PROCESVERLOOP 1.1 Aan belanghebbende is met dagtekening 29 juni 2018 een naheffingsaanslag in de winstbelasting over het jaar 2016 opgelegd van NAf 79.267. Tegelijkertijd met deze naheffingsaanslag is een verzuimboete opgelegd van NAf 10.000. 1.2 Belanghebbende heeft op 24 augustus 2018 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag en de boete. 1.3 Belanghebbende heeft op 22 augustus 2019 beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar.
ECLI:NL:OGHACMB:2017:54
Uitspraak CUR2016H00008 Datum uitspraak: 21 juni 2017 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Uitspraak op het hoger beroep van: de inspecteur der belastingen in Curaçao, appellant (de Inspecteur), tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (het Gerecht) van 9 juni 2016 in de zaak BBZ nr. 68870 van 2014, in het geding tussen: de Inspecteur en [ X ], gevestigd te Curaçao, verweerder (belanghebbende). 1Procesverloop 1.1. De Inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 25 juni 2010 een naheffingsaanslag winstbelasting opgelegd over het jaar 2008 ten bedrage van NAf 18.000 en een verzuimboete opgelegd van NAf 2.700. 1.2.
ECLI:NL:OGEAC:2019:310
Uitspraak van 1 november 2019 BBZ nr.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Uitspraak van 18 augustus 2021 BBZ nr. CUR202003427 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO UITSPRAAK Na vereenvoudigde behandeling in de zin van artikel 7a van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken van het verzoek om vergoeding van proceskosten in het geding tussen: [Belanghebbende], gevestigd te Curaçao, belanghebbende, en: DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao, de Inspecteur. 1PROCESVERLOOP 1.1 Aan belanghebbende is op 31 december 2019 een naheffingsaanslag winstbelasting voor het jaar 2018 opgelegd van NAf 18.000. Daarbij is een verzuimboete opgelegd van NAf 2.700 vanwege het niet tijdig doen van aangifte. 1.2 Belanghebbende heeft op 25 februari 2020 daartegen bezwaar gemaakt. 1.3 De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 22 juni 2020 de naheffingsaanslag winstbelasting verminderd naar nihil en de boete tot NAf 2.500. 1.4 Belanghebbende heeft op 19 augustus 2020 beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de boete.

Daarvoor is een bedrag aan griffierecht betaald van NAf 150. 1.5 Partijen zijn op 24 mei 2021 uitgenodigd voor de zitting van 1 juli 2021. 1.6 Op 24 juni 2021 heeft de Inspecteur een verweerschrift ingediend. Hierin vermeldt de Inspecteur dat de hij de boete beschikking heeft vernietigd. 1.7 Belanghebbende heeft bij e-mailbericht van 25 juni 2021 het beroep ingetrokken. Tegelijk met deze intrekking is verzocht om een vergoeding van de proceskosten. 2OVERWEGINGEN 2.1 Belanghebbende heeft het beroep ingetrokken omdat de Inspecteur aan haar bezwaar is tegemoetgekomen.

Tegelijk met de intrekking heeft belanghebbende verzocht om vergoeding van de proceskosten. 2.2 Ingevolge artikel 7a, letter d, Landsverordening op het beroep in belastingzaken (hierna: LBB) kan het Gerecht, totdat partijen zijn uitgenodigd voor de behandeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen indien het beroep kennelijk gegrond is. Naar het oordeel van het Gerecht kan deze bepaling op overeenkomstige wijze worden toegepast op een bij intrekking van het beroep gedaan verzoek om vergoeding van proceskosten en/of griffierecht. Het Gerecht ziet in dit geval daartoe aanleiding. 2.3 In artikel 15, lid 3, LBB is bepaald dat in geval van intrekking van het beroep, omdat de Inspecteur geheel of gedeeltelijk aan de belanghebbende is tegemoetgekomen, de Inspecteur op verzoek van de belanghebbende bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 15, lid 1, LBB in de kosten kan worden veroordeeld.

Dit betreft de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken (vgl. GEA Curacao 17 maart 2020, ECLI:NL:OGEAC:2020:53). 2.4 De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat geen recht bestaat op een proceskostenvergoeding omdat het bezwaar pas op 4 maart 2020, dus te laat is ingediend en daarom niet ontvankelijk is. Het Gerecht verwerpt dit standpunt. Belanghebbende heeft een pro forma bezwaarschrift overgelegd met daarop een door de Belastingdienst geplaatst datumstempel “FEB 25 2020”.

Het bezwaar is dus tijdig ingediend. Ten overvloede wijst het Gerecht erop dat ook bij intrekking van een niet ontvankelijk bezwaar of beroep recht kan bestaan op een proceskostenvergoeding (zie HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1224). Kosten bezwaarfase 2.5 Ingevolge artikel 32a, lid 1 van de Algemene landsverordening Landsbelastingen (ALL) worden, op verzoek van de belastingplichtige, de kosten die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, vergoed voor zover de aanslag door ernstige onzorgvuldigheid in strijd met het recht is opgelegd.

Het verzoek moet worden gedaan voordat de Inspecteur op het bezwaar heeft beslist. De regels over de (hoogte van de) vergoeding zijn neergelegd in artikel 6.4 van de Ministeriële regeling formeel belastingrecht. 2.6 Ingevolge artikel 15, vierde lid van de ALL is de belastingplichtige gehouden om uiterlijk op de laatste dag van de zesde maand na afloop van het boekjaar over dat jaar definitieve aangifte te doen. In artikel 15, vijfde lid van de ALL neemt de Inspecteur een schriftelijk gemotiveerde beslissing binnen vijftien dagen na ontvangst van een verzoek.

Indien de Inspecteur niet binnen vijftien dagen schriftelijk afwijzend heeft beslist, wordt het verzoek geacht te zijn ingewilligd. Op grond van het artikel 18, lid 2, van de ALL kan de Inspecteur bij het niet tijdig doen van de aangifte winstbelasting een boete opleggen van hoogste NAf 2.500. 2.7 Belanghebbende heeft een gebroken boekjaar dat loopt van 1 mei tot en met 30 april. Ingevolge artikel 15, vierde lid, van de ALL was belanghebbende gehouden om uiterlijk op de laatste dag van de zesde maand na afloop van het (gebroken) boekjaar, dat is uiterlijk 1 november 2018 over het boekjaar 2017/2018 aangifte te doen.

Op 26 oktober 2018, dus voor afloop van de indieningstermijn, heeft belanghebbende om uitstel voor de indiening van de aangifte gevraagd. De Inspecteur heeft op 4 februari 2020 op dit verzoek beslist en uitstel met terugwerkende kracht verleend tot 1 juni 2019. Belanghebbende heeft de aangifte winstbelasting 2018 op 30 april 2019, dus tijdig, ingediend. Op grond van de aangifte is geen winstbelasting verschuldigd. 2.8 Het Gerecht is van oordeel dat belanghebbende recht heeft op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase. De Inspecteur heeft namelijk tegen beter weten in de onderhavige belastingaanslag en boetebeschikking opgelegd, zodat sprake is van een aan de Inspecteur te wijten ernstige onzorgvuldigheid.

Belanghebbende heeft immers tijdig de aangifte winstbelasting ingediend, op grond waarvan geen belasting was verschuldigd. (vgl. GEA Curaçao 4 oktober 2018, ECLI:NL:OGEAC:2018:249; GEA Curaçao 13 juli 2020, ECLI:NL:OGEAC:2020:189). 2.9 Het Gerecht stelt de proceskosten op de voet van artikel 6.4 van de Ministeriële regeling formeel belastingrecht, vast op NAf 25 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van NAf 100, en een wegingsfactor van 0,25. De zaak wordt als zeer licht aangemerkt omdat slechts in geschil was de vraag of de aangifte tijdig is ingediend.

Kosten beroepsfase 2.10 Ingevolge artikel 15, lid 1, LBB worden de kosten vergoed die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. 2.11 In artikel 15, lid 2, LBB is bepaald dat de regels over de (hoogte van de) proceskostenvergoeding bij of krachtens landsbesluit worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127 (vgl. GHvJ 21 juni 2017, nr. CUR2016H00008, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54). 2.12 In artikel 1 van dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde verleende beroepsmatige bijstand.

Deze kosten kunnen worden berekend op NAf 175 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, waarde per punt NAf 700, wegingsfactor 0,25 (beroep niet tijdig beslissen)). 2.13 Belanghebbende heeft verzocht om een integrale kostenvergoeding. Ingevolge artikel 2, lid 3, van het Besluit kan in bijzondere omstandigheden van een forfaitaire proceskostenvergoeding worden afgeweken. Anders dan belanghebbende voorstaat, vindt het Gerecht echter geen aanleiding voor een integrale vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten van rechtsbijstand aangezien geen sprake is van in vergaande mate onzorgvuldig handelen door de Inspecteur door niet tijdig te beslissen op het bezwaar (vgl. GEA Curacao 13 juli 2020, ECLI:NL:OGEAC:2020:189). 2.14 Een redelijke wetstoepassing brengt mee dat de Inspecteur het betaalde griffierecht aan belanghebbende vergoedt (vgl. GEA Curaçao 1 november 2019, ECLI:NL:OGEAC:2019:310). 2.15 Gelet op het vorenstaande is sprake van een kennelijk gegrond verzoek. 3DE BESLISSING Het Gerecht: wijst het verzoek tot vergoeding van proceskosten toe; veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van NAf 200; en - draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van NAf 150 te vergoeden.

Deze uitspraak is gegeven door mr. drs. M.M. de Werd, rechter, en uitgesproken op 18 augustus 2021, in tegenwoordigheid van de griffier N.N. Noël- van der Biezen BSc. De griffier, De rechter, Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden. VERZET Tegen deze onmiddellijke uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum schriftelijk verzet doen bij: Het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (belastingkamer) Emancipatie Boulevard Dominico “Don” Martina 18 Willemstad Curaçao Is het Gerecht van oordeel dat het verzet gegrond is, dan vervalt deze uitspraak en wordt de zaak alsnog in behandeling genomen.

U wordt verzocht bij het indienen van het verzetschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het verzetschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het verzetschrift en vermeld het volgende: a. de naam en het adres van de indiener, b. de dagtekening, c. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het verzet). Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende verzetschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gerecht in eerste aanleg: belastinggriffieCUR@caribjustitia.org. Voor het doen van verzet is geen griffierecht verschuldigd.