Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:OGEAC:2020:332 ECLI:NL:OGEAC:2020:332 AI generated

ECLI:NL:OGEAC:2020:332 · Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Case Number ECLI:NL:OGEAC:2020:332
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO Uitspraak van de voorzitter van de meervoudige kamer van het Gerecht (de voorzitter) op het verzoek om een proceskostenvergoeding in de zaak tussen: [verzoeker] wonende in Curaçao, verzoeker, gemachtigden: mrs. M. Fowler-Davelaar en B.L. Lie Atjam, advocaten, en de Sociale Verzekeringsbank, verweerster, gemachtigde: mr. K.A. Martis, jurist bij verweerster. Procesverloop Bij brief van 22 mei 2020 heeft verweerster een productieplafond vastgesteld voor verzoeker inhoudende dat hij voor de periode vanaf 1 juli 2020 tot en met 31 december 2020 maximaal NAf 375.000,- en voor het kalenderjaar 2021 maximaal NAf 750.000,- aan verweerster mag declareren voor de door hem ten behoeve van BVZ-verzekerden verleende diensten (de bestreden beschikking).

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:OGEAC:2020:332 · Gerecht in eerste aanleg van Curaçao: Op grond van artikel 50, tiende lid, van de Lar kan in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de desbetreffende partij is tegemoetgekomen, het betrokken overheidslichaam op verzoek van die partij bij afzonderlijke uitspraak in de proceskosten worden veroordeeld.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO Uitspraak van de voorzitter van de meervoudige kamer van het Gerecht (de voorzitter) op het verzoek om een proceskostenvergoeding in de zaak tussen: [verzoeker] wonende in Curaçao, verzoeker, gemachtigden: mrs. M. Fowler-Davelaar en B.L. Lie Atjam, advocaten, en de Sociale Verzekeringsbank, verweerster, gemachtigde: mr. K.A. Martis, jurist bij verweerster. Procesverloop Bij brief van 22 mei 2020 heeft verweerster een productieplafond vastgesteld voor verzoeker inhoudende dat hij voor de periode vanaf 1 juli 2020 tot en met 31 december 2020 maximaal NAf 375.000,- en voor het kalenderjaar 2021 maximaal NAf 750.000,- aan verweerster mag declareren voor de door hem ten behoeve van BVZ-verzekerden verleende diensten (de bestreden beschikking).

Verzoeker heeft daartegen bezwaar gemaakt bij verweerster en dit vervolgens aangevuld. Hangende dit bezwaar heeft verzoeker het Gerecht verzocht om een voorlopige voorziening te treffen strekkende tot schorsing van de bestreden beschikking (het verzoek). Verweerster heeft op 3 september 2020 het Gerecht geïnformeerd dat zij ambtshalve de uitvoering van de bestreden beschikking zal schorsen in afwachting van de beslissing op bezwaar. Verzoeker heeft het verzoek ingetrokken en verzocht om een proceskostenveroordeling (het verzoek). Overwegingen 1.

Op grond van artikel 50, tiende lid, van de Lar kan in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de desbetreffende partij is tegemoetgekomen, het betrokken overheidslichaam op verzoek van die partij bij afzonderlijke uitspraak in de proceskosten worden veroordeeld.

2. Naar het oordeel van het Gerecht biedt artikel 50, tiende lid, van de Lar geen grondslag voor een proceskostenveroordeling als hangende het verzoek om een voorlopige voorziening daaraan wordt tegemoetgekomen.

3. Het verzoek zal worden afgewezen. Beslissing De voorzitter wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. N.M. Martinez, voorzitter, en in het openbaar uitgesproken op 21 september 2020, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Aswani, griffier. Tegen deze beslissing staat geen hoger beroep open.