Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:OGEABES:2025:8 ECLI:NL:OGEABES:2025:8 AI generated

ECLI:NL:OGEABES:2025:8 · Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Case Number ECLI:NL:OGEABES:2025:8
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA zittingsplaats Bonaire Registratienummer : BON202400093 Datum beslissing : 29 januari 2025 VONNIS in de zaak van [eiseres], wonende te Bonaire, eiseres, gemachtigde: mr. M.M.A. van Lieshout, tegen HET OPENBAAR LICHAAM BONAIRE, zetelend te Bonaire, gedaagde, vertegenwoordigd door: mr. A.O. Schuitemaker. Partijen zullen hierna [eiseres] en het OLB genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift - de conclusie van antwoord - de comparitie van partijen van 20 november 2024. 1.2.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6:174 BW, artikel 6:174 lid 1 BW, artikel 129 Rv; ECLI:NL:OGEABES:2025:8 · Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba: Het gerecht overweegt als volgt. Uit artikel 6:174 lid 1 BW BES volgt als hoofdregel dat de bezitter van een opstal die niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, en daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert, aansprakelijk is wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat deze aansprakelijkheid bij openbare wegen rust op het overheidslichaam dat moet zorgen dat de weg in goede staat verkeert. 4.4. Voorop staat dat op het OLB de plicht rust ervoor te zorgen dat de toestand van de weg de veiligheid van personen en zaken niet in gevaar brengt.

Keywords

AI generated
artikel 6:174 BW artikel 6:174 lid 1 BW artikel 129 Rv

Cited Legislation

AI generated
artikel 6:174 BW
[ eiseres] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat het OLB op grond van artikel 6:174 BW BES jegens haar aansprakelijk is voor de door haar ten gevolge van het ongeval van 19 januari 2021 geleden schade.
artikel 6:174 lid 1 BW
Uit artikel 6:174 lid 1 BW BES volgt als hoofdregel dat de bezitter van een opstal die niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, en daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert, aansprakelijk is wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt.
artikel 129 Rv
Op grond van de hoofdregel van artikel 129 Rv BES rust de bewijslast van haar vordering op grond van artikel 6:174 BW BES op [eiseres].

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2010:BN6236
Het geding in feitelijke instanties Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken: a.
ECLI:NL:HR:2014:831
4 april 2014 Eerste Kamer nr.
ECLI:NL:HR:1965:AB7079
dat hij, zich naar het herentoilet begevende, links voorbij de zich ter plaatse bevindende kistjes is gelopen, tegelijkertijd met zijn linkerhand de deurkruk van het herentoilet heeft vastgenomen en geopend en op hetzelfde moment een stap naar rechts heeft gemaakt; dat het voor hem niet mogelijk was door de zich ter plaatse bevindende coca-colakistjes aan de rechterzijde te passeren, omdat zich aan het achterste tafeltje mensen bevonden, en dat de kistjes en de zich aldaar bevindende personen bovendien het zicht op het keldergat hebben ontnomen; (3a) ‘’dat – wat het probandum sub 1 betreft – het Hof bewezen acht, dat Duchateau, zich naar het herentoilet begevende, links voorbij de zich ter plaatse bevindende kistjes is gelopen, (3b) dat immers uit de verklaringen van de getuigen Sjouwerman en Boom blijkt, dat het voor Duchateau niet mogelijk is geweest, om rechts achter de coca-colakistjes om te lopen, daar reeds de van het luik af naar voren geschoven stoelen en de daaronder geschoven opgerolde mat dit beletten; (4) ‘’dat – wat dit deel van het probandum betreft – het Hof niet bewezen acht, dat Duchateau daarop met zijn linkerhand de deurkruk van het herentoilet heeft vastgenomen en geopend en op hetzelfde moment een stap naar rechts heeft gemaakt; (5) ‘’dat het Hof echter niet van overwegend belang acht, wat Duchateau in de laatste ogenblikken vóór zijn val na het passeren van de kistjes heeft gedaan, nu door de wederpartij niet is bestreden, dat hij per ongeluk in het kelderruim is gevallen en niet als gevolg van een gewaagde poging, om over het kelderruim heen toch in het herentoilet te komen; (6) ‘’wat het tweede deel van het probandum betreft: (6a) dat niet is bewezen, dat zich aan het achterste tafeltje mensen bevonden, (6b) dat integendeel dit volgens de verklaring van getuige Sjouwerman niet het geval was, terwijl getuige Boom deze verklaring heeft bevestigd met zijn verklaring, dat volgens zijn herinnering aan dit tafeltje geen mensen zaten, (6c) dat daarmede allereerst een der redenen is komen te vervallen, waarom Duchateau volgens zijn posita niet rechts van de kistjes kon passeren, doch dat dit niet meer van belang is, nu is gebleken, dat hij dit uit anderen hoofde niet kon doen, (6d) dat verder echter door dit niet-bewezen zijn niet is gebleken, dat voormeld aanwezig zijn van mensen voor Duchateau het zicht op het keldergat heeft ontnomen, (6e) dat hiermede van de door Duchateau gestelde en in het probandum overgenomen redenen, waarom hij het keldergat niet heeft kunnen waarnemen, alleen de aanwezigheid der op elkaar gestapelde coca-colakistjes overblijft, (6f) dat echter, zoals de door de politie na het ongeval gemaakte en in het geding gebrachte foto’s duidelijk uitwijzen, de omvang van deze coca-colakistjes niet zodanig was, dat daarmede het gat geheel onzichtbaar werd gemaakt, terwijl voorts – naar uit die foto’s blijkt – het openstaande luik duidelijk boven de kistjes zichtbaar moet zijn geweest; (7) ‘’dat hieruit volgt, dat Duchateau niet op de omgeving van het herentoilet heeft gelet, toen hij daarbij was gekomen, en het nu de vraag is, of er reden voor hem bestond, om dit te doen; (8a) ‘’dat – al neemt men aan, dat Duchateau vóór het ongeval het openstaande luik niet heeft opgemerkt, gelijk hij beweert, doch de wederpartij betwist – toch voor Duchateau reden bestond bij het naderen van het toilet om zich heen te zien, alvorens verder te gaan, (8b) dat de deur van het herentoilet, naar Coca-Cola heeft gesteld, getuige Sjouwerman heeft verklaard en op de overgelegde situatiefoto’s is te zien, ingevolge de stand van de meergenoemde kistjes slechts gedeeltelijk open kon, (8c) dat dit feit, hetwelk Duchateau niet kan zijn ontgaan, hem zeker tot een opnemen van de omgeving had moeten brengen, zo hem de vreemde plaats van de kistjes daar – gedeeltelijk op het pad – al niet een waarschuwing had moeten zijn, om op die omgeving te letten; (9) ‘’dat, indien hij dit had gedaan, hem het zich daar ter plaatse bevindende keldergat niet had kunnen ontgaan, hetwelk naar uit de verklaringen van de getuigen Sjouwerman en Boom moet worden afgeleid, voldoende verlicht was; (10) ‘’dat hieruit volgt, dat hij schuld aan het ongeval heeft, en het thans nog slechts de vraag is, of hier van alle schuld, gelijk de Rechtbank heeft aangenomen, dan wel slechts van medeschuld aan zijn zijde sprake is; (11a) ‘’dat volgens de verklaring van de toenmalige eigenaar van de zaak, getuige Boom, deze in geval hij het luik moest openen, het keldergat barricadeerde met stoelen, (11b) dat getuige Sjouwerman ook gemakkelijk dit gat op deze wijze had kunnen barricaderen, (11c) dat hij dit niet heeft gedaan, maar zich volgens zijn eigen verklaring en die van getuige Boom bepaald heeft tot een opstapelen van de kistjes met lege flessen naast het keldergat, zonder de toegang tot de toiletten geheel af te sluiten; (11d) dat Sjouwerman er rekening mede had behoren te houden, dat bezoekers aan de toegang tot het toilet wellicht niet hun volledige aandacht zouden besteden, (11e) dat, gelet op de eenvoudige middelen, waarmede Sjouwerman – als voormeld – de toegang tot het keldergat afdoende had kunnen barricaderen, zo hij meende zich vandaar te moeten verwijderen, ook hem schuld aan het ongeval treft; (12) ‘’dat het Hof, de schuld van Duchateau en die van Sjouwerman tegen elkaar afwegende, van oordeel is, dat ieder van hen voor de helft aansprakelijk is voor het ongeval; (13) ‘’dat derhalve de door Duchateau aangevoerde grief gedeeltelijk is gegrond en Coca-Cola voor de helft van de door het ongeval geleden schade aansprakelijk is te stellen;’’ Overwegende dat Coca-Cola ’s Hofs arrest bestrijdt met het volgende middel van cassatie:
ECLI:NL:HR:2016:2283
7 oktober 2016 Eerste Kamer 15/02599 LZ/EE Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [eiseres],wonende te [woonplaats], EISERES tot cassatie, advocaat: mr.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA zittingsplaats Bonaire Registratienummer : BON202400093 Datum beslissing : 29 januari 2025 VONNIS in de zaak van [eiseres], wonende te Bonaire, eiseres, gemachtigde: mr. M.M.A. van Lieshout, tegen HET OPENBAAR LICHAAM BONAIRE, zetelend te Bonaire, gedaagde, vertegenwoordigd door: mr. A.O. Schuitemaker. Partijen zullen hierna [eiseres] en het OLB genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift - de conclusie van antwoord - de comparitie van partijen van 20 november 2024. 1.2.

Ten slotte is vonnis nader bepaald op heden. 2De feiten 2.1. [ eiseres] heeft op 19 januari 2021 een ongeval gehad op de Kaya Amsterdam te Bonaire en zij heeft als gevolg daarvan (hersen)letsel opgelopen. 2.2. Op 24 oktober 2022 heeft de gemachtigde van [eiseres] het OLB aansprakelijk gesteld voor de schade die [eiseres] heeft geleden als gevolg van het ongeval. Vervolgens heeft er overleg tussen partijen plaatsgevonden en heeft het OLB verzocht om nadere informatie en bewijsstukken met betrekking tot het ongeval. 2.3. Op 31 juli 2023 heeft het OLB de aansprakelijkheid van de hand gewezen bij gebrek aan voldoende bewijs. 3De vordering 3.1. [ eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zo begrijpt het gerecht: - voor recht te verklaren dat het OLB aansprakelijk is voor de door [eiseres] geleden schade ten gevolge van het ongeval op 19 januari 2021, - het OLB te veroordelen tot vergoeding van de door [eiseres] geleden materiële en immateriële schade van USD 119.649,90, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de indiening van het verzoekschrift tot de dag der algehele voldoening, - het OLB te veroordelen in de proceskosten en de nakosten. 3.2.

Het OLB voert verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. [ eiseres] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat het OLB op grond van artikel 6:174 BW BES jegens haar aansprakelijk is voor de door haar ten gevolge van het ongeval van 19 januari 2021 geleden schade. [eiseres] stelt dat de Kaya Amsterdam ernstige gebreken vertoonde doordat er ter hoogte van de Dienst Ruimte & Ontwikkeling sprake was van een niet-afgedekte straatkolk. Door hevige regenval waardoor plassen op de weg ontstonden was die niet-afgedekte straatkolk op dat moment niet te zien. [eiseres] reed op haar fiets, een mountainbike, en is met haar voorwiel in deze niet-afgedekte straatkolk terecht gekomen.

Daardoor is zij ‘gelanceerd’ en enkele meters verder terechtgekomen. Zij heeft haar bewustzijn door de val verloren. Zij heeft geen herinneringen aan de val zelf. Het laatste wat [eiseres] zich herinnert is dat het hard regende en dat de weg niet goed verlicht was. [eiseres] reed op het midden van de weg, omdat het wegdek – dat over het algemeen slecht is daar – op die plek het beste was. Omdat zij bang was om aangereden te worden door naderende auto’s wilde zij dichter bij de stoep gaan fietsen. Anderen hebben haar later verteld dat zij in de niet-afgedekte straatkolk was gereden en daardoor ten val is gekomen. 4.2.

Het OLB heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Het OLB betwist dat de weg destijds het door [eiseres] gestelde gebrek vertoonde en dat zij als gevolg daarvan met haar fiets ten val is gekomen. Er is nooit melding gemaakt van een niet-afgedekte straatkolk aan de Kaya Amsterdam. Niet door [eiseres] zelf, maar ook niet door anderen. Er zijn geen foto’s genomen na het ongeval en ook de politie is destijds niet betrokken. De stellingen van [eiseres] zijn alleen gebaseerd op haar eigen invulling van wat er is gebeurd. Volgens het OLB is het juist onwaarschijnlijk dat de val van [eiseres] zou zijn veroorzaakt door de - volgens [eiseres] niet-afgedekte – draaikolk. [eiseres] stelt namelijk aan de overkant van de (tweebaans)weg te zijn gevonden.

Voor het OLB is niet duidelijk hoe [eiseres], overigens zijwaarts, kan zijn ‘gelanceerd’ naar de overkant van de weg als zij op fietssnelheid fietste. Door het OLB is zelfs niet vast te stellen of [eiseres] wel op een fiets reed. Verder heeft het OLB zich beroepen op eigen schuld van [eiseres]. [eiseres] had voorzichter moeten zijn en bijvoorbeeld om de plas water heen moeten gaan. Tot slot is het het OLB niet duidelijk in welke toestand [eiseres] verkeerde direct voorafgaand aan het ongeval, bijvoorbeeld of zij onder invloed was van alcohol. 4.3.

Het gerecht overweegt als volgt. Uit artikel 6:174 lid 1 BW BES volgt als hoofdregel dat de bezitter van een opstal die niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, en daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert, aansprakelijk is wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat deze aansprakelijkheid bij openbare wegen rust op het overheidslichaam dat moet zorgen dat de weg in goede staat verkeert. 4.4. Voorop staat dat op het OLB de plicht rust ervoor te zorgen dat de toestand van de weg de veiligheid van personen en zaken niet in gevaar brengt.

Bij het antwoord op de vraag of de weg voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, komt het derhalve aan op de - naar objectieve maatstaven te beantwoorden - vraag of de opstal, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn (de maatstaven zoals die zijn ontwikkeld in Hoge Raad 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6236 en herhaald in Hoge Raad 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:831).

Deze maatstaven komen overeen met de criteria die door de Hoge Raad zijn geformuleerd in het Kelderluikarrest van 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079, zie daarvoor Hoge Raad 7 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2283. 4.5. Uitgaande van het voorgaande is het het gerecht vooralsnog niet duidelijk of de weg ten tijde van het ongeval van [eiseres] op 19 januari 2021 voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen doordat er sprake was van een niet-afgedekte put. Ook is het het gerecht vooralsnog niet duidelijk of het ongeval zich daardoor heeft verwezenlijkt.

Het OLB heeft gemotiveerd betwist dat er ten tijde van het ongeval van [eiseres] sprake was van een niet-afgedekte put en dat het ongeval door de – volgens [eiseres] niet-afgedekte – put is veroorzaakt. 4.6. Op grond van de hoofdregel van artikel 129 Rv BES rust de bewijslast van haar vordering op grond van artikel 6:174 BW BES op [eiseres]. Zij zal tot het leveren van dat bewijs worden toegelaten. 4.7. Op het OLB rust de bewijslast van de stelling dat sprake is van de door hem gestelde eigen schuld van [eiseres]. In dit kader is met name van belang of [eiseres] gegeven de omstandigheden te onvoorzichtig heeft gereden.

Het OLB zal worden toegelaten tot het leven van dit bewijs. 4.8. Beide partijen zullen met een bewijsopdracht worden belast. Met het oog op de proceseconomie zal de bewijslevering ten aanzien van beide bewijsopdrachten aan beide zijden in zowel de enquête als de contra-enquête zoveel mogelijk tijdens één comparitie (deels ter plaatse) zal plaatsvinden, waarbij eventuele ter uitvoering van de bewijsopdrachten te horen getuigen gelijktijdig over beide bewijsopdrachten zullen worden ondervraagd. 4.9. Het gerecht houdt iedere verdere beslissing aan.

5De beslissing

Het gerecht: 5.1. draagt [eiseres] op om te bewijzen dat zij op 19 januari 2021 met de fiets (of een ander (motor)voertuig) ten val is gekomen op de Kaya Amsterdam door een niet-afgedekte draaikolk, althans feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit blijkt dat de Kaya Amsterdam op 19 januari 2021 niet voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen en daardoor gevaar opleverde en dat het uit die gebrekkige toestand voortvloeiende gevaar (het daardoor ten val komen met de fiets), zich heeft verwezenlijkt, 5.2. draagt het OLB op feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit blijkt dat [eiseres] in de gegeven omstandigheden te onvoorzichtig heeft gereden, 5.3. bepaalt dat partijen binnen twee weken (via griffiebonaire@caribjustitia.org) opgave zullen doen van de verhinderdata van de partijen en de getuigen in de maanden februari tot en met juni 2025, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald, 5.4. bepaalt dat dit getuigenverhoor zal aanvangen in het gerechtsgebouw te Bonaire en ter plaatse zal worden voortgezet, dus aan de Kaya Amsterdam te Bonaire, 5.5. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Veerman, rechter, en op 29 januari 2025 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.