Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:OGEABES:2022:14 ECLI:NL:OGEABES:2022:14 AI generated

ECLI:NL:OGEABES:2022:14 · Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Case Number ECLI:NL:OGEABES:2022:14
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Uitspraak van 2 augustus 2022 BBZ nr. BON202000129 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Zittingsplaats Bonaire UITSPRAAK Op het beroep in de zin van hoofdstuk VIII, titel acht, afdeling drie van de Belastingwet BES van: [Belanghebbende] , woonachtig in Bonaire, belanghebbende, gericht tegen: DE HEFFINGSAMBTENAAR VAN HET OPENBAAR LICHAAM BONAIRE , zetelend in Bonaire, de heffingsambtenaar. 1PROCESVERLOOP 1.1 Aan belanghebbende is met dagtekening 31 januari 2019 ter zake van de auto met nummerplaat [00000] een aanslag motorrijtuigenbelasting (MRB) voor het jaar 2019 opgelegd, ten bedrage van USD 190. 1.2 Belanghebbende is op 21 november 2019 in bezwaar gekomen tegen de aanslag. 1.3 De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak van 29 januari 2020 de aanslag gehandhaafd. 1.4 Belanghebbende is op 7 februari 2020 in beroep gekomen.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:OGEABES:2022:14 · Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba: MRBV) en dat de procedure zich niet leent voor een counterclaim. 4BEOORDELING VAN HET GESCHIL Ontvankelijkheid bezwaar 4.1 Uit artikel 55, lid 1 van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba (Wet FOL) volgt dat de MRB een eilandbelasting is. Ingevolge artikel 67, lid 1 Wet FOL geschiedt de heffing en invordering van eilandbelastingen met toepassing van de hoofdstukken I en VIII van de Belastingwet BES (hierna: BBES). 4.2 Dit brengt met zich dat de ontvankelijkheid van het bezwaar aan de hand van artikel 8.92 van de BBES beoordeeld dient te worden, waarin staat dat bezwaar tegen een belastingaanslag kan worden ingediend binnen twee maanden na dagtekening van het aanslagbiljet.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2021:1153
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 20/01682 Datum 16 juli 2021 ARREST in de zaak van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 april 2020, nr. 18/00455, op het hoger beroep van belanghebbende en het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 17/5461) betreffende een aan belanghebbende opgelegde aanslag in de erfbelasting en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:CRVB:2021:1500
20754 WMO15 Datum uitspraak: 9 juli 2021 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 15 januari 2020, 19/560 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Breda (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. I.E. Mussche, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht om het college te veroordelen tot vergoeding van schade.
ECLI:NL:HR:1990:ZC4233
Aanslag en bezwaar. Aan belanghebbende is voor het jaar 1983 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 240.838,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Geding voor het Hof. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft als vaststaande aangemerkt: Belanghebbende, geboren in 1929, is gehuwd. Voor het onderhavige jaar heeft hij aangifte gedaan van een belastbaar inkomen van f 263.969,36. In een aanvulling op zijn aangifte claimt belanghebbende alsnog een bedrag van f 73.131,16 aan buitengewone lasten wegens uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van zijn op 13 november 1958 geboren, niet tot zijn huishouding behorende dochter. De berekening van belanghebbende van dit bedrag van f 73.131,16 is als volgt:
ECLI:NL:HR:2000:AA6516
Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 138.486,--, waarvan f 69.778,-- belast naar het tarief van artikel 57 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet), welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat het beroep gegrond heeft verklaard, de uitspraak van de Inspecteur heeft vernietigd en de aanslag heeft verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van f 73.485,--, waarvan f 4.778,-- belast naar het tarief van artikel 57 van de Wet. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:1979:AM4918
26 september 1979. nr. 19.250 DG. De Hoge Raad der Nederlanden, Gezien het beroepschrift in cassatie van [X] te [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 27 september 1978 betreffende de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1976; Gezien de stukken; Overwegende dat aan belanghebbende voor het jaar 1976 een aanslag in de inkomstenbelasting is opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 59.711,--, welke aanslag na daartegen gemaakt bezwaar door de Inspecteur is gehandhaafd, waarop belanghebbende van de uitspraak van de Inspecteur in beroep is gekomen bij het Hof;
ECLI:NL:HR:1978:AX3023
HR 8 maart 1978, ECLI:NL:HR:1978:AX3023, BNB 1978/85.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Uitspraak van 2 augustus 2022 BBZ nr. BON202000129 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Zittingsplaats Bonaire UITSPRAAK Op het beroep in de zin van hoofdstuk VIII, titel acht, afdeling drie van de Belastingwet BES van: [Belanghebbende] , woonachtig in Bonaire, belanghebbende, gericht tegen: DE HEFFINGSAMBTENAAR VAN HET OPENBAAR LICHAAM BONAIRE , zetelend in Bonaire, de heffingsambtenaar. 1PROCESVERLOOP 1.1 Aan belanghebbende is met dagtekening 31 januari 2019 ter zake van de auto met nummerplaat [00000] een aanslag motorrijtuigenbelasting (MRB) voor het jaar 2019 opgelegd, ten bedrage van USD 190. 1.2 Belanghebbende is op 21 november 2019 in bezwaar gekomen tegen de aanslag. 1.3 De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak van 29 januari 2020 de aanslag gehandhaafd. 1.4 Belanghebbende is op 7 februari 2020 in beroep gekomen.

Ter zake van de indiening van het beroepschrift heeft belanghebbende een bedrag van USD 30 aan griffierecht voldaan. 1.5 De heffingsambtenaar heeft op 18 mei 2020 een verweerschrift ingediend. 1.6 De (eerste) zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2021 te Kralendijk. Daar zijn verschenen belanghebbende en namens de heffingsambtenaar [A] en [B]. Door de maatregelen vanwege het corona-virus heeft de rechter vanuit het gerechtsgebouw in Aruba de zitting geleid via een videoverbinding. Gelijktijdig met onderhavige zaak is de zaak van belanghebbende, bekend onder nummer BON202000261, behandeld.

De zaken zijn behandeld door rechter mr. D.J. Jansen. Ter zitting heeft belanghebbende een wrakingsverzoek ingediend, waarna het onderzoek ter zitting is geschorst. Ter zitting bij de wrakingskamer heeft belanghebbende het verzoek tot wraking ingetrokken. 1.7 Belanghebbende heeft vóór en ná de eerste zitting diverse stukken overgelegd. De stukken zijn doorgezonden aan de heffingsambtenaar. 1.8 Een nader onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2021 te Kralendijk. Daar zijn dezelfde personen verschenen als op de eerste zitting.

Gelijktijdig met onderhavige zaak is de zaak van belanghebbende, bekend onder nummer BON202000261, behandeld. De zaken zijn behandeld door rechter mr. drs. M.M. de Werd. Aan het einde van de zitting heeft het Gerecht het onderzoek gesloten. 1.9 Belanghebbende heeft na sluiting van het onderzoek nog diverse stukken ingediend. Het Gerecht vindt hierin geen aanleiding om het onderzoek te heropenen. Het Gerecht zal deze stukken dan ook niet in de beschouwing betrekken. 2FEITEN 2.1 Belanghebbende heeft in juni 2018 een [auto] (hierna: de auto) aangeschaft.

Op 17 juli 2018 heeft hij aangifte gedaan van diefstal van de auto op 15 juli 2018. 2.2 Op of rond 17 juli 2018 heeft belanghebbende de auto weer teruggevonden. Op of rond 23 juli 2018 heeft belanghebbende, na overlegging van een verzekeringsbewijs van de auto en een bewijs van betaling van de nummerplaat en de aanslag MRB 2018, voor de auto nummerplaat [0001] verkregen. 2.3 Aan belanghebbende is op 31 januari 2019 ter zake van de auto een aanslag MRB 2019 opgelegd van USD 190. Belanghebbende heeft ter zake van de aanslag op 5 december 2019 een bedrag van USD 45,50 betaald. 3GESCHIL EN STANDPUNTEN PARTIJEN 3.1 In geschil is of de aanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd en of recht bestaat op een schadevergoeding of counterclaim. 3.2 Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de auto eind juli 2018, nadat hij daarop de nummerplaat [0001] had bevestigd, voor de tweede keer is gestolen en dat hij de auto pas weer terug heeft gevonden in november 2019.

Als gevolg daarvan stelt hij in 2019 tot november geen houder geweest te zijn van de auto, zodat hij over die periode ook geen MRB verschuldigd is. Hij eist verder in het beroepschrift als counterclaim een vergoeding van het Openbaar Lichaam Bonaire (OLB) van USD 25.143, vermeerderd met kosten en interest, vanwege wanbeheer, nalatigheid en onrechtmatig handelen. Naar het Gerecht begrijpt heeft belanghebbende in een later stadium van de procedure de eis verhoogd. 3.3 De heffingsambtenaar is van mening dat de aanslag MRB 2019 terecht is opgelegd, omdat belanghebbende niet heeft voldaan aan de meldingsplicht van artikel 15, lid 4 van de Motorrijtuigenbelastingverordening Bonaire 2011 (hierna:

MRBV) en dat de procedure zich niet leent voor een counterclaim. 4BEOORDELING VAN HET GESCHIL Ontvankelijkheid bezwaar 4.1 Uit artikel 55, lid 1 van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba (Wet FOL) volgt dat de MRB een eilandbelasting is. Ingevolge artikel 67, lid 1 Wet FOL geschiedt de heffing en invordering van eilandbelastingen met toepassing van de hoofdstukken I en VIII van de Belastingwet BES (hierna: BBES). 4.2 Dit brengt met zich dat de ontvankelijkheid van het bezwaar aan de hand van artikel 8.92 van de BBES beoordeeld dient te worden, waarin staat dat bezwaar tegen een belastingaanslag kan worden ingediend binnen twee maanden na dagtekening van het aanslagbiljet.

De aanslag heeft als dagtekening 31 januari 2019. Het bezwaarschrift is op 21 november 2019, dus na de in artikel 8.92 lid 1 BBES opgenomen termijn van twee maanden, ingediend. De heffingsambtenaar heeft inhoudelijk op het bezwaar beslist en is niet tot niet-ontvankelijkverklaring overgegaan. Het Gerecht mag in dat geval de ontvankelijkheid van het bezwaar niet meer ambtshalve beoordelen. Het gevolg is dat in de beroepsfase de zaak inhoudelijk beoordeeld dient te worden. Wettelijk kader 4.3 Ingevolge artikel 2 MRBV wordt een belasting geheven ter zake van het houden van een motorrijtuig. 4.4 Ingevolge artikel 3, lid 1 MRBV is belastingplichtig degene die bij aanvang van het belastingtijdvak het motorrijtuig houdt. 4.5 Ingevolge artikel 3, lid 2 MRBV wordt, voor zover hier van belang, als houder van een motorrijtuig aangemerkt de persoon: op wiens naam het voor het motorrijtuig afgegeven bewijs van verzekering bedoeld in artikel 11, eerste lid van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen BES, is gesteld; die het motorrijtuig waarvoor geen geldig bewijs als bedoeld onder a is afgegeven en aan wie een nummerplaat is verstrekt, feitelijk ter beschikking heeft; 4.6 Ingevolge artikel 15, lid 4 MRBV eindigt de belastingplicht na melding van de beëindiging door de houder aan de ontvanger.

De houder overlegt hierbij de nummerplaten en een bewijs van beëindiging van de verzekering als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen BES. Indien de houder niet beschikt over de nummerplaten, overlegt hij een bewijs waaruit blijkt dat hij niet langer houder van het motorrijtuig is, of de platen verloren zijn gegaan. Inhoudelijk 4.7 Belanghebbende heeft gesteld dat hij in de eerste drie kwartalen van 2019 niet beschikte over de auto omdat die gestolen was. Om die reden stelt belanghebbende geen MRB verschuldigd te zijn over de eerste drie kwartalen van 2019. 4.8 De heffingsambtenaar heeft gesteld dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de meldingsplicht van artikel 15, lid 4 MRBV met als gevolg dat hij voor het gehele jaar MRB is verschuldigd. 4.9 Vaststaat dat belanghebbende op of rond 23 juli 2018 houder was van de auto met plaatnummer [0001].

Tevens staat vast dat hij in 2018 de kosten van de verzekering voldaan heeft en dat hij de verzekering niet heeft stopgezet. In dat geval wordt belanghebbende, ook voor 2019, aangemerkt als houder van de auto in de zin van artikel 3 MRBV, behoudens voor zover hij heeft voldaan aan de meldingsplicht van artikel 15, lid 4 MRBV. Belanghebbende heeft daar niet aan voldaan. Hij heeft geen bewijs overgelegd van beëindiging van de verzekering. Hij heeft evenmin nummerplaten ingeleverd of een bewijs overgelegd waaruit blijkt dat hij niet langer houder van de auto was of de platen verloren zijn gegaan. 4.10 Belanghebbende heeft gesteld dat hij de nummerplaten niet kon inleveren omdat de auto, nadat hij daarop de nummerplaat [0001] had bevestigd, in juli 2018 weer (voor de tweede keer) werd gestolen.

Tegenover de betwisting van de heffingsambtenaar heeft belanghebbende daarvan echter geen bewijs geleverd. Het betoog van belanghebbende dat het OLB van de (tweede) diefstal van de auto en de zich daarop bevindende nummerplaten, op de hoogte was of móest zijn slaagt niet, omdat de heffingsambtenaar dat ontkent en omdat in het dossier daarvoor ook geen aanknopingspunten zijn te vinden. Dat het Korps Politie Caribisch Nederland wist of zou moeten weten van die tweede diefstal doet aan het voorgaande niet af, omdat, wat daar verder ook van zij, die kennis kennelijk niet is gedeeld met het OLB. 4.11 Belanghebbende heeft verder betoogd dat degene die de auto gestolen had, mrs. [H], nummerplaat [0002] gebruikte voor de auto.

Dat betekent volgens belanghebbende dat er voor de auto ten onrechte twee verschillende nummerplaten bestonden, namelijk nr. [0001] en nr. [0002]. Tegenover de betwisting door de heffingsambtenaar heeft belanghebbende ook daarvan geen bewijs geleverd. Daarbij laat het Gerecht in het midden of, indien dat bewijs wel geleverd was, dat tot vermindering of vernietiging van de aan belanghebbende opgelegde aanslag zou leiden. Het betoog van belanghebbende faalt. 4.12 Belanghebbende heeft tenslotte aangevoerd dat hij, nadat hij op of rond 28 november 2019 weer in het bezit gekomen was van de auto, naar het OLB is gegaan om te vragen welk bedrag hij nog aan MRB moest betalen.

Een persoon met de naam “[A]” heeft toen volgens belanghebbende geadviseerd om USD 45,50 of USD 47,50 te betalen waarna de zaak gesloten zou zijn. Voor zover belanghebbende hiermee stelt dat het OLB een toezegging heeft gedaan, waaraan hij een gerechtvaardigd vertrouwen mag ontlenen overweegt het Gerecht het volgende. 4.13 Een vertrouwen kan gerechtvaardigd zijn indien een aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de heffingsambtenaar is voorgelegd en belanghebbende door gedragingen van de heffingsambtenaar redelijkerwijs heeft kunnen aannemen dat deze met betrekking tot die aangelegenheid een weloverwogen standpunt heeft ingenomen.

Daarbij is het van belang dat belanghebbende alle bijzonderheden van het geval heeft meegedeeld en dat sprake moet zijn van een ondubbelzinnige uiting van de betrokken ambtenaar waarmee deze zich onmiskenbaar heeft willen binden. Naar het oordeel van het Gerecht heeft belanghebbende niet aangetoond dat hij tijdens het gesprek alle bijzonderheden van het geval heeft meegedeeld. Bovendien betrof het kennelijk slechts een advies en geen bindende toezegging. Naar het oordeel van het Gerecht kon belanghebbende uit het advies niet in redelijkheid afleiden dat de heffingsambtenaar daarmee een ondubbelzinnige bindende toezegging heeft willen doen.

Het Gerecht verwerpt het beroep op het vertrouwensbeginsel. 4.14 Het Gerecht concludeert op basis van hetgeen hiervoor is overwogen tot ongegrondheid van het beroep. Schadevergoeding 4.15 In artikel 8.115b, lid 1 BBES is bepaald dat een bestuursorgaan kan worden veroordeeld tot vergoeding van de schade die een partij lijdt indien het Gerecht het beroep gegrond verklaart. In het onderhavige geval is het beroep niet gegrond verklaard zodat reeds daarom geen recht bestaat op een schadevergoeding. 5GRIFFIERECHTEN EN PROCESKOSTENVERGOEDING Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten of het griffierecht. 6BESLISSING Het Gerecht: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gegeven door mr. drs. M.M. de Werd, rechter, en uitgesproken op 2 augustus 2022, in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.C.M.J. Bucx. De griffier, De rechter, Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………….. aan partijen verzonden. HOGER BEROEP Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij: Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer) Plasa Reina Wilhelmina (Fort Oranje) Kralendijk Bonaire U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende: a. de naam en het adres van de indiener, b. de dagtekening, c. waartegen u in beroep komt, d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep). Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie: belastinggriffie@caribjustitia.org. Voor het instellen van hoger beroep is een griffierecht van USD 60 verschuldigd. Ingevolge artikel 7 van de Motorrijtuigenbelastingverordening Bonaire 2011 wordt de belasting geheven door middel van een gedagtekende schriftelijke kennisgeving. Het Openbaar Lichaam Bonaire gebruikt daarvoor de benaming “aanslag”. Het Gerecht zal die term overnemen. vgl. HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1153 en CRvB 9 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1500. Vgl. HR 14 februari 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC4233 en HR 14 juli 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6516. Vgl. HR 26 september 1979, ECLI:NL:HR:1979:AM4918, BNB 1979/311. Vgl. HR 8 maart 1978, ECLI:NL:HR:1978:AX3023, BNB 1978/85.