Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:OGEAA:2025:131 ECLI:NL:OGEAA:2025:131 AI generated

ECLI:NL:OGEAA:2025:131 · Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Case Number ECLI:NL:OGEAA:2025:131
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Parketnummer: P-2024/01423 Zaaknummer: 601 van 2024 Uitspraak van: 21 maart 2025 op tegenspraak GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA VONNIS in de strafzaak tegen de verdachte: [Verdachte], geboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats], wonende in [woonplaats], te [adres], thans gedetineerd in het huis van bewaring in Aruba hierna: de verdachte.

Legislator headnote

AI generated

artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht; ECLI:NL:OGEAA:2025:131 · Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba: Ingevolge artikel 1:67, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht kan verbeurdverklaring worden uitgesproken bij veroordeling wegens enig strafbaar feit. Nu de verdachte in dit geval niet wordt veroordeeld wegens enig strafbaar feit, zal ten aanzien van de telefoon een last worden gegeven tot teruggave ervan aan de verdachte.

Keywords

AI generated
artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht
artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht) 2.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHAMS:2024:3413
afdeling strafrecht parketnummer: 23-002079-24 datum uitspraak: 12 december 2024 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 9 september 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-030926-24 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1987, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 november 2024 en, overeenkomstig artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht. Tenlastelegging Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat: 1. primair hij op of omstreeks 27 januari 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 1. subsidiairhij in of omstreeks de periode 25 januari 2024 tot en met 27 januari 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland en/of in Keulen, althans in Duitsland en/of Colombia, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten - het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen, - het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, van een hoeveelheid cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet - een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, - zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, - voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s), (daartoe) - ( telefonisch) afspraken gemaakt over de invoer van een hoeveelheid cocaïne en/of - ( telefonisch) contact onderhouden en/of foto's verstrekt/ontvangen omtrent de wijze van vervoer en/of verpakking en/of de route van die cocaïne en/of - ( telefonisch) informatie verschaft en/of verkregen omtrent de (live) locatie van die cocaïne en/of - naar Schiphol, althans Nederland afgereisd, teneinde die cocaïne in ontvangst te nemen en/of verder te vervoeren; 2.hij op of omstreeks 27 januari 2024 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, een wapen, van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een ploertendoder, voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen; 3.hij op of omstreeks 27 januari 2024 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, een reisdocument en/of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, te weten een nationaal rijbewijs van Italië (voorzien van het nummer [nummer] en/of op naam gesteld van [verdachte]), waarvan hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze vals of vervalst was, voorhanden heeft gehad. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Beoordeling van het bewijs De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bevestiging van het vonnis en daarmee tot bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde. Hiertoe heeft zij onder andere aangevoerd dat uit het dossier de reisbewegingen van de verdachte naar Schiphol blijken, de iPhone en de inhoud daarvan aan de verdachte toegeschreven kunnen worden, beelden op de iPhone zijn aangetroffen waarop – gelet op de algemene bekendheid met deze wijze van verpakken – blokken cocaïne worden herkend, er communicatie is geweest omtrent trackers en er communicatie is geweest waaruit blijkt dat ze ontdekt zijn en dat er een probleem is. De trackers stralen dan uit op Schiphol. Het feit dat de partij cocaïne nooit is aangetroffen, staat niet aan een bewezenverklaring in de weg. Vrijspraak ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit. De raadsman heeft daartoe, samengevat, aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat in de koffers uit Colombia cocaïne zat en evenmin dat de koffers met de inhoud daadwerkelijk in Nederland zijn aangekomen, waardoor geen sprake is van de invoer van cocaïne. Het hof hanteert als uitgangspunt dat de opzettelijke invoer van cocaïne in beginsel pas voor bewezenverklaring in aanmerking komt, als tijdens het opsporingsonderzoek ook daadwerkelijk een hoeveelheid cocaïne is aangetroffen en inbeslaggenomen. Dit uitgangspunt lijdt onder omstandigheden uitzondering, te weten indien de inhoud van de bewijsmiddelen, in het licht van hetgeen overigens kan worden vastgesteld, niet anders kan worden begrepen dan dat er sprake is geweest van opzettelijke invoer van cocaïne. Uit het dossier volgt dat de Koninklijke Marechaussee op 27 januari 2024 informatie ontving dat er mogelijk verdovende middelen aan boord van vlucht [vlucht], afkomstig uit Cartagena (Colombia), zouden zijn en dat deze vlucht om 10:35 uur zou aankomen in Amsterdam. Een zwarte Volkswagen met kenteken [kenteken] zou de verdovende middelen ophalen bij het [hotel]. Naar aanleiding van deze informatie is de Koninklijke Marechaussee een onderzoek gestart. Uit het dossier volgt dat een controle is uitgevoerd op de passagiers en de bagage van de genoemde vlucht. Daarbij werd de betreffende koffer niet aangetroffen, en ook geen andere bagagestukken inhoudende verdovende middelen. Gelet hierop valt naar het oordeel van het hof ook onder de door de advocaat-generaal genoemde omstandigheden niet met een voor een bewezenverklaring vereiste voldoende mate van zekerheid vast te stellen of de koffers Nederland daadwerkelijk hebben bereikt en, zo ja, of in de koffers daadwerkelijk verdovende middelen zaten. De verdachte zal daarom van het onder 1 primair tenlastegelegde worden vrijgesproken. Ten aanzien van onder 1 subsidiair tenlastegelegde De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verdachte geen wetenschap had van het feit dat er cocaïne opgehaald moest worden van Schiphol. De verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde voorbereidingshandelingen. Het hof volgt de verdachte hierin niet. Daarbij is het volgende van belang. Door de Koninklijke Marechaussee wordt gezien dat de verdachte zich op 27 januari 2024 om 08:15 uur samen met [naam 1] (hierna: [naam 1]) in een zwarte Volkswagen met kenteken [kenteken] bevindt op de parkeerplaats bij het [hotel] nabij de luchthaven Schiphol. [naam 1] vertrekt vervolgens om 10:00 uur met de bus naar de luchthaven Schiphol, waarna de verdachte zich omstreeks 16:00 uur met de zwarte Volkswagen in de richting van genoemde luchthaven begeeft. Rond 17:00 uur verlaat de verdachte de luchthaven en gaat naar het [hotel] alwaar hij om 17.40 uur wordt aangehouden. Onder hem worden drie telefoons in beslag genomen, te weten een Huawei, een Apple iPhone XR en een Oppo. Net als de rechtbank gaat het hof ervan uit dat de iPhone aan de verdachte kan worden toegeschreven. De verdachte heeft over de onder hem in beslag genomen telefoons (die in de Volkswagen lagen ten tijde van zijn aanhouding) onder meer verklaard dat de Huawei van hem is en dat de iPhone door [naam 1] (het hof begrijpt: [naam 1]) bij hem in de auto waren achtergelaten en dat hij deze niet heeft gebruikt. Het hof stelt, in lijn met hetgeen de rechtbank heeft overwogen, vast dat het in de Huawei geregistreerde zogenaamde eigen nummer, en daarmee dus het telefoonnummer van de verdachte, hetzelfde telefoonnummer is als het eigen nummer van de iPhone. Dit acht het hof een belangrijke aanwijzing dat deze telefoons bij dezelfde persoon in gebruik zijn. Verder is in de iPhone berichtenverkeer aangetroffen met contactpersoon “[naam 2]” met het telefoonnummer [telefoonnummer]. Ditzelfde telefoonnummer staat genoteerd op de factuur van de door [naam 1] geboekte kamer in het [hotel], zodat het hof ervan uitgaat dat dit telefoonnummer van [naam 1] is en hij dus de contactpersoon “[naam 2]” is. Het hof acht in dat licht de verklaring van de verdachte dat de onder hem aangetroffen iPhone van [naam 1] is, ongeloofwaardig. [naam 1] zou dan immers gesprekken met zichzelf hebben gevoerd en berichten naar zichzelf hebben gestuurd. Ten slotte worden er in de middag van 27 januari 2024 vanaf de iPhone (belastende) berichten gestuurd naar “[naam 2]”, terwijl de verdachte heeft verklaard dat hij op dat moment ook beschikte over de iPhone. Voorgaande omstandigheden laten, in onderling verband en samenhang bezien, geen andere conclusie toe dan dat de verdachte de gebruiker was van de onder hem in beslag genomen iPhone. In de iPhone van de verdachte zijn onder meer videofragmenten van twee koffers met zwarte pakketten aangetroffen, door de Koninklijke Marechaussee ambtshalve herkend als in totaal 22 blokken met verdovende middelen. Op een videofragment is ook te zien dat in beide koffers vermoedelijk een tracker wordt gestopt. Bij de pakketten ligt een briefje met de tekst “[tekst]”. Deze videofragmenten zijn op 25 januari 2024 verstuurd aan de verdachte. Daarnaast is in de iPhone een afbeelding aangetroffen van witte blokken met daarbij een zeer vergelijkbaar briefje, met als enige verschil de datum (16 januari 2024 in plaats van 25 januari 2024). De Koninklijke Marechaussee herkent de witte blokken op die afbeelding als vermoedelijk blokken cocaïne. Het hof stelt vast dat de afgebeelde witte blokken (op de foto betreffende 16 januari 2024) qua vorm overeenkomsten vertonen met de afgebeelde zwarte pakketten (op de video betreffende 25 januari 2024). Daarnaast is het het hof ambtshalve bekend dat Colombia een bronland is van cocaïne. Verder volgt uit de iPhone van de verdachte dat hij op 27 januari 2024 de hele middag contact heeft onderhouden met “[naam 2]”. Zo stuurt de verdachte aan “[naam 2]” “dat draait nog ergens rond, haal dat daar weg. praat met die mensen, straks wordt het gejat. Ik zie alles vanaf hier” en “[naam 2]” reageert daarop met “[verdachte], de issue is dat dat steeds rondjes draait op dezelfde plek”. “[naam 2]” stuurt daarbij om 14:38 uur een afbeelding waarop volgens de Koninklijke Marechaussee vermoedelijk twee GPS-trackers zijn te zien op een kaart van een gedeelte van de luchthaven Schiphol. De verdachte reageert daarop met “het is normaal dat hij die kant op loopt want de man die het ging pakken is van daar, dat is wat wij besproken hebben toch (...). Jij zei, de man die het daar ophaalt is met de strepen, hij is van de mollen. Als de mollen het hebben, dan hebben ze “het” bewaard, wachtend tot het eruit kan”. Dat in koffers mogelijk trackers waren gestopt, wordt ondersteund door het onderzoek naar de onder de verdachte in beslag genomen Oppo-telefoon, die het hof, net als de rechtbank ook aan de verdachte toeschrijft, nu op geen enkele manier aannemelijk is geworden dat deze telefoon, aangetroffen in de Volkswagen ten tijde van de aanhouding van de verdachte, door een ander zou zijn gebruikt. Hieruit blijkt dat daarop een applicatie genaamd “Traccar” was geïnstalleerd, die software aanbiedt voor GPS tracking. Deze software stuurt meldingen naar een telefoon en laat live de locatie van, in dit geval, de trackers zien. De Koninklijke Marechaussee heeft in die applicatie ingelogd met de verkregen betreffende gebruikersnaam en wachtwoord, waarna een kaart van Schiphol Plaza te zien was met daarop twee zogenaamde icoontjes (de trackers) die op 27 januari 2024 voor het laatst verbinding hadden gemaakt met een rood gekleurde batterij icoon. Hieruit kan naar het oordeel van het hof de conclusie worden getrokken dat zich op Schiphol trackers bevonden. Het hof leidt uit het dossier af dat de verdachte met zijn mededader uiteindelijk vergeefs heeft getracht om koffers met cocaïne op Schiphol te vinden en met zijn auto weg te brengen. Dit strookt ook met het bericht van 12.54 uur van contact ‘[naam 3]” aan de verdachte met de inhoud: “My friend there are problems. We are discovered”. Op basis van het voorgaande acht het hof het bewezen dat de verdachte voorbereidingshandelingen heeft verricht met betrekking tot de invoer van cocaïne. Het verweer van de raadsman dat de verdachte geen wetenschap had van het feit dat er cocaïne opgehaald moest worden op Schiphol, wordt weerlegd door de inhoud van het dossier, zoals hiervoor is weergegeven. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen wetenschap had omtrent de strafbaarheid van het feit en beroept zich op afwezigheid van alle schuld. De verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Het hof is van oordeel dat van een redelijk handelend persoon mag worden verwacht dat hij zich vergewist van de geldende wet- en regelgeving in het land waar hij verblijft, zeker als het gaat om potentieel gevaarlijke voorwerpen. Het argument dat het bezit van een ploertendoder in het land van herkomst mogelijk niet strafbaar is, doet niet af aan deze verplichting. Daarbij geldt dat een ploertendoder een wapen is dat specifiek ontworpen is om ernstig letsel toe te brengen, gezien het loden uiteinde. Dit kenmerk alleen al had voor de verdachte aanleiding moeten zijn om de wettelijke status van een dergelijk voorwerp in Nederland na te gaan. Gelet op het voorgaande kan de verdachte zich niet met succes beroepen op afwezigheid van alle schuld. Het verweer wordt verworpen. Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte zich niet bewust was van het feit dat het rijbewijs vals was. Hij dient daarom te worden vrijgesproken. Op 27 januari 2024 werd in de portemonnee van de verdachte een op zijn naam gesteld Italiaans rijbewijs aangetroffen. Uit onderzoek is gebleken dat dit rijbewijs vals is. De verdachte heeft verklaard hij het rijbewijs in Italië voor € 600,- heeft gekocht van een rijschoolhouder en hij niet wist dat het rijbewijs vals was. Het hof overweegt dat het een feit van algemene bekendheid is dat een rijbewijs via een officiële overheidsinstantie dient te worden aangevraagd en verkregen en dat een rijbewijs niet te koop is via derden. Bovendien is het bedrag dat de verdachte hiervoor heeft betaald dusdanig hoog dat dit argwaan bij hem zou hebben moeten wekken. Ook is niet gebleken dat de verdachte enige binding had met Italië op basis waarvan hij aanspraak kon maken op een Italiaans rijbewijs. Het hof is daarom van oordeel dat de verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat het rijbewijs vals was. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1.subsidiairhij in de periode 25 januari 2024 tot en met 27 januari 2024 te Nederland en Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten - het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en - het opzettelijk vervoeren van een hoeveelheid cocaïne, - zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en - een vervoermiddel voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte wist dat dit bestemd was tot het plegen van dat feit, hebbende verdachte en/of zijn mededader, (daartoe) - contact onderhouden en foto's ontvangen omtrent de wijze van vervoer en/of verpakking en/of de route van die cocaïne en - ( telefonisch) informatie verschaft en/of verkregen omtrent de (live) locatie van die cocaïne en - naar Schiphol, althans Nederland afgereisd, teneinde die cocaïne in ontvangst te nemen en verder te vervoeren; 2.hij op 27 januari 2024 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, een wapen, van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een ploertendoder, voorhanden heeft gehad; 3.hij op 27 januari 2024 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, een identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, te weten een nationaal rijbewijs van Italië (voorzien van het nummer [nummer] en op naam gesteld van [verdachte]), waarvan hij, verdachte, redelijkerwijs moest vermoeden dat deze vals was, voorhanden heeft gehad; Hetgeen onder 1 subsidiair, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 subsidiair, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde levert op: medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich/een ander gelegenheid/middelen/ inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en vervoermiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit. Het onder 2 bewezenverklaarde levert op: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. Het onder 3 bewezenverklaarde levert op: een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht voorhanden hebben, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat het vals is. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair, 2 en 3 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 maanden met aftrek van voorarrest. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 45 maanden met aftrek van voorarrest. De raadsman van de verdachte heeft verzocht om bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met de beperkte rol van zijn cliënt in het geheel en om rekening te houden met zijn persoonlijke omstandigheden. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot de invoer van cocaïne. Dit is een zeer ernstig feit. Door de invoer van harddrugs wordt de (internationale) handel in verdovende middelen in stand gehouden. Van de (georganiseerde) drugshandel gaat in toenemende mate een ondermijnend en corrumperend effect uit. Boven- en onderwereld raken steeds meer met elkaar vermengd, onder meer door het investeren van grote sommen crimineel geld in legale activiteiten. Door zijn voorbereidende handelen heeft de verdachte getracht aan deze handel een bijdrage te leveren. Verder heeft de verdachte een vals Italiaans rijbewijs voorhanden gehad. Valse identiteitsdocumenten verhinderen een effectieve identiteitscontrole en bovendien wordt het vertrouwen dat in van overheidswege verstrekte identiteitsbewijzen moet kunnen worden gesteld, aangetast door het gebruik van dergelijke valse documenten. Tot slot heeft de verdachte een ploertendoder voorhanden gehad. Het ongecontroleerd bezit van verboden wapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en leidt tot onveiligheid in de maatschappij. Gelet op de ernst van de andere twee bewezenverklaarde feiten kent het hof aan dit feit bij het bepalen de strafmaat geen zelfstandige betekenis toe. Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden. De straf valt een stuk lager uit dan door de rechtbank is opgelegd, omdat het hof de verdachte vrijspreekt van het onder 1 primair tenlastegelegde. Het beslag Onder de verdachte is in beslag genomen: 1. 92,8EUR 2. 700 EUR 3. 900 EUR 4. 100 EUR 5. 140 EUR 6. 10 EUR 7. Ploertendoder 8. Vals rijbewijs Het hof is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven goederen (1 t/m 6) dienen te worden teruggegeven aan de verdachte. Het hof kan op basis van het dossier niet vaststellen dat is voldaan aan één van de gronden voor verbeurdverklaring zoals genoemd in artikel 33a van het Wetboek van Strafrecht. Omdat de geldbedragen onder de verdachte in beslag zijn genomen, dienen deze aan hem te worden geretourneerd. Het onder 2 en 3 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven goederen (7 en 8). Zij zullen aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op artikel 10a van de Opiumwet, de artikelen 36b, 36c, 47, 57 en 231 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht. Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 subsidiair, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: 7. Ploertendoder; 8. Vals rijbewijs. Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: 1. 92,8 EUR; 2. 700 EUR; 3. 900 EUR; 4. 100 EUR; 5. 140 EUR; 6. 10 EUR. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. K.J. Veenstra, mr. N. van der Wijngaart en mr. B. van der Werf, in tegenwoordigheid van mr. R. Bleumers, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 december 2024. Mr. B. van der Werf is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. ========================================================================= […]

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Parketnummer: P-2024/01423 Zaaknummer: 601 van 2024 Uitspraak van: 21 maart 2025 op tegenspraak GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA VONNIS in de strafzaak tegen de verdachte: [Verdachte], geboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats], wonende in [woonplaats], te [adres], thans gedetineerd in het huis van bewaring in Aruba hierna: de verdachte.

1Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 februari 2025. Het Gerecht heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officier van justitie mr. A. Vroombout, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. V.A.V. Carlo, advocaat in Aruba, naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is –samengevat– ten laste gelegd, dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de al dan niet opzettelijke uitvoer van cocaïne (feit 1) en het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de opzettelijke uitvoer van cocaïne waarbij hij een ander heeft bewogen het feit te plegen (feit 2).

De tekst van de tenlastelegging is aan dit vonnis gehecht. 3Voorvragen Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt dat het onder feit 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard en wijst daarbij op de whatsapp-gesprekken tussen de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte], op de getuigenverklaring van de vriendin van de drugskoerier [drugskoerier] en de verklaring van de medeverdachte.

Volgens de officier van justitie volgt uit deze bewijsmiddelen, dat de drugskoerier tot twee keer toe bolletjes gevuld met in totaal ca. 1½ kilo cocaïne heeft geslikt en deze inwendig naar Nederland heeft vervoerd en hiervoor betaald heeft gekregen. Volgens de officier van justitie was de rol van de verdachte in deze transporten, die van organisator. Dat de bolletjes ketamine zouden hebben bevat, zoals de verdachte ter zitting heeft verklaard, acht de officier van justitie volstrekt ongeloofwaardig, gelet op de omstandigheid dat uit de Whatsapp-gesprekken volgt dat het om de uitvoer van verdovende middelen gaat, dat de verdovende middelen in bolletjes werden verpakt en ingeslikt en omdat het zeer onaannemelijk is dat ketamine vanuit Aruba naar Nederland zou worden vervoerd.

De officier van justitie vordert vrijspraak ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde, nu het in deze gaat om een voltooide uitvoer van cocaïne. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman van de verdachte bepleit integrale vrijspraak, en voert daartoe, samengevat, het volgende aan. De verdachte heeft ter zitting bekend, dat sprake was van het twee keer uitvoeren van bolletjes met inhoud die door [drugskoerier] waren geslikt. In die bolletjes zat echter geen cocaïne, maar ketamine. Ketamine valt niet onder de reikwijdte van de Landsverordening verdovende middelen, zodat er geen grondslag bestaat voor de strafbaarstelling van de uitvoer ervan.

Uit het dossier kan niet worden vastgesteld dat in de bolletjes cocaïne zat. De conclusie van het onderzoeksteam en het Openbaar Ministerie dat het om cocaïne ging, berust op interpretaties en veronderstellingen zonder forensisch bewijs. Dat in de bolletjes ketamine zat, volgt ook uit het bedrag van € 19,- per gram waar de verdachte en [medeverdachte] het in de gesprekken over hadden. De prijs van een gram ketamine (in Nederland) is ca. € 23,- en die van cocaïne is € 52,- (zie hiervoor bv www.nationaledrugmonitor.nl). Aldus de raadsman. 4.3 Het oordeel van het Gerecht Het Gerecht is ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde met de officier van justitie en de verdediging van oordeel, dat de verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken, nu sprake is van een voltooide uitvoer van middelen.

Het Gerecht acht het onder feit 1 tenlastegelegde – anders dan de officier van justitie –niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte ook hiervan dient te worden vrijgesproken. Het Gerecht overweegt hiertoe als volgt. De verdachte wordt -kort gezegd- ervan beschuldigd dat hij samen met anderen -al dan niet opzettelijk- cocaïne heeft uitgevoerd. De verdachte heeft ontkend dat hij cocaïne heeft uitgevoerd. Ter zitting heeft hij beaamd dat de Whatsapp-gesprekken in het dossier, gesprekken zijn die hij met [medeverdachte] heeft gevoerd, en dat die gesprekken gingen over de uitvoer/smokkel naar Nederland van ketamine in bolletjes die door [drugskoerier] zijn geslikt.

De verdachte heeft ter zitting te kennen gegeven dat hij meende dat de uitvoer van ketamine ook in Aruba strafbaar was. Het Gerecht stelt voorop dat uitgangspunt is, dat de opzettelijke uitvoer van cocaïne in beginsel pas voor bewezenverklaring in aanmerking komt, als tijdens het opsporingsonderzoek ook daadwerkelijk een hoeveelheid cocaïne is aangetroffen en inbeslaggenomen. Dit uitgangspunt lijdt onder omstandigheden uitzondering, te weten indien de inhoud van het dossier, in het licht van hetgeen overigens kan worden vastgesteld, niet anders kan worden begrepen dan dat er sprake is geweest van opzettelijke uitvoer van cocaïne. (vgl. ECLI:NL:GHAMS:2024:3413) Wat betreft de uitvoer van ketamine, overweegt het Gerecht, het volgende.

Nog daargelaten dat de uitvoer van ketamine niet ten laste is gelegd, wordt ketamine ook niet genoemd in de Landsverordening verdovende middelen, noch in een van de regelingen aanwijzing verdovende middelen. De raadsman merkt daarom terecht op dat ketamine niet onder de reikwijdte van voornoemde landsverordening valt. Het Gerecht stelt in dit geval aan de hand van het dossier en het verhandelde ter zitting het volgende vast. Uit de Whatsapp-gesprekken tussen de verdachte en [medeverdachte] volgt dat de heer [drugskoerier] (in die gesprekken Big Wreck, Bigwreckles of Stone genoemd) op 22 februari 2024 ca. 96 bolletjes met inhoud heeft geslikt, dat hij op 23 februari 2024 naar Nederland is gereisd, en dat hij in Nederland is aangekomen met 94 bolletjes met inhoud, met een gewicht van 799 gram.

De verdachte heeft een berekening gemaakt van de te verdelen winst, te weten “94 (bolletjes) x 8,5 (gram) = 799 (gram) x 14 (Euro) = 11.186 (Euro) : 2 (personen) = 5.593 (Euro per persoon), en 799 (gram) x 5 (Euro) = 3.999 (Euro) + 300 Bigwreckles”. [Drugskoerier] heeft voor deze uitvoer € 4.300,- betaald gekregen. De winst per gram van de inhoud van de bolletjes is kennelijk € 19,-. Uit de Whatsapp-gesprekken volgt verder dat [drugskoerier] op 31 mei 2024 rond 78 bolletjes met inhoud heeft geslikt en hiervoor -zo volgt uit de verklaring van zijn vriendin, de getuige [getuige]- € 3.700,- betaald heeft gekregen.

Geen bolletje noch de inhoud daarvan is onder de verdachte of onder de medeverdachten [medeverdachte] of [drugskoerier] aangetroffen. Over de inhoud van de in totaal 172 bolletjes die naar Nederland zijn vervoerd is dus niets bekend. Of de bolletjes cocaïne bevatten, zoals de officier van justitie heeft gesteld, dan wel ketamine, zoals de verdachte heeft gesteld, kan het Gerecht niet vaststellen. Dat uit de inhoud van het dossier, in het licht van hetgeen overigens kan worden vastgesteld, niet anders kan worden begrepen dan dat er sprake is geweest van opzettelijke uitvoer van cocaïne, kan evenmin worden vastgesteld.

Het Gerecht is gelet op het bovenstaande van oordeel dat het door of namens de verdachte aangevoerde alternatieve scenario niet onwaarschijnlijk is. De verklaring van de verdachte, dat in de bolletjes ketamine zat, kan in ieder geval niet worden weerlegd door de inhoud van het dossier. Dit impliceert dat niet onomstotelijk kan worden vastgesteld dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het ten laste gelegde , ook niet als medepleger. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken. 5Het beslag 5.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft ten aanzien van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven mobiele telefoon gevorderd dat deze zal worden verbeurd verklaard. 5.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven mobiele telefoon. 5.3 Het oordeel van het gerecht Uit de beslaglijst van 27 augustus 2024 (bijlage 17) volgt dat van de verdachte een rode mobiele telefoon van het merk Apple, model iPhone 12 mini, met zwart hoesje, in beslag is genomen.

Ingevolge artikel 1:67, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht kan verbeurdverklaring worden uitgesproken bij veroordeling wegens enig strafbaar feit. Nu de verdachte in dit geval niet wordt veroordeeld wegens enig strafbaar feit, zal ten aanzien van de telefoon een last worden gegeven tot teruggave ervan aan de verdachte.

6Voorlopige hechtenis

De ten aanzien van verdachte bevolen voorlopige hechtenis zal, gelet op het vorenstaande, worden opgeheven. DE BESLISSING Het Gerecht: verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2 ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij; gelast de teruggave van de rode mobiele telefoon van het merk Apple, model iPhone 12 mini, met zwart hoesje, aan de verdachte; heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden (uiterlijk om 17:00 uur). Dit vonnis is gewezen door mr. N.K. Engelbrecht, rechter, bijgestaan door mevrouw M.E. Kelly, (zittingsgriffier), en op 21 maart 2025 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit gerecht. uitspraakgriffier:

Bijlage: de tenlastelegging 1. dat hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 februari 2024 tot en met 1 juli 2024 in Aruba, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk een hoeveelheid cocaïne, heeft uitgevoerd en/of in bezit heeft gehad en/of aanwezig heeft gehad; (artikel 3 lid 1 van de Landsverordening verdovende middelen jo. artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht) 2. dat hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 februari 2024 tot en met 1 juli 2024 in Aruba, teneinde voor te bereiden of te bevorderen dat cocaïne, opzettelijk vanuit Aruba zou worden uitgevoerd en/of zou worden afgeleverd en/of vervoerd, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, - [Drugskoerier] en/of een of meer medeverdachte(n), heeft voorzien van een hoeveelheid cocaïne en/of - [Drugskoerier] en/of een of meer medeverdachte(n)heeft voorzien van geld en/of - contact heeft opgenomen en/of contact heeft onderhouden met [medeverdachte] en/of [drugskoerier] en/of een of meer medeverdachte(n) en/of ontmoetingen heeft gehad met [medeverdachte] en/of [drugskoerier] en/of een of meer medeverdachte(n), in verband met het handelen in en/of prepareren van en/of uitvoeren van de hierboven bedoelde cocaïne en/of - verdiensten aan [medeverdachte] en/of [drugskoerier] en/of een of meer medeverdachte(n) in het vooruitzicht heeft gesteld en/of gesprekken heeft gevoerd over prijzen en/of het verdelen van de opbrengsten van de cocaïne en/of - instructies aan [medeverdachte] en/of [drugskoerier], althans een of meer medeverdachte(n) heeft gegeven en/of informatie gedeeld met betrekking tot de uitvoer van die cocaïne. (artikel 11c van de Landsverordening verdovende middelen jo. artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht)