Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:OGEAA:2021:367 ECLI:NL:OGEAA:2021:367 AI generated

ECLI:NL:OGEAA:2021:367 · Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Case Number ECLI:NL:OGEAA:2021:367
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Parketnummer: P-2021/00844 Zaaknummer: 303 van 2021 Uitspraak: 22 juli 2021 Tegenspraak Vonnis van dit Gerecht in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren op [geboortedatum] in Aruba, wonende in Aruba, thans gedetineerd in het huis van bewaring in Aruba. Onderzoek van de zaak Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2021. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.E.A. Hernandez, advocaat in Aruba. De officier van justitie, mr. E. Stevens, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig (20) maanden waarvan twaalf (12) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee (2) jaren, met aftrek van voorarrest en de bijzondere voorwaarde van Reclasseringstoezicht gedurende de proeftijd.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:OGEAA:2021:367 · Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba: Deze werden tijdens onderzoek in de woning te [adres 1], toebehorende aan de verdachte [verdachte], aangetroffen en inbeslaggenomen voor verder onderzoek. De inbeslaggenomen verdovende middelen zijn gelabeld met letters/nummers, van A1 t/m A28 en B1 t/m B3. Gewicht Totaal Gewicht A1 t/m A28: 14.593,5 gram Totaal Gewicht B1 t/m B3: 714,1 gram Fieldtest: Vervolgens hebben wij een kleine hoeveelheid van de bruin op marihuana lijkende kruiden genomen, gedaan in testbuisjes bestemd voor het testen van hennep en de zogenaamde fieldtests werden genomen.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHAMS:2020:3016
afdeling strafrecht parketnummer: 23-003604-18 datum uitspraak: 6 november 2020 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 10 oktober 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-029334-18 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Japan) op [geboortedag] 1981, adres: [adres 1]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 en 23 oktober 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie De verdediging heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie had kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging een met strafvorderlijke handhaving beoogd belang was gediend. Het hof overweegt als volgt. In artikel 167, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is aan het openbaar ministerie de bevoegdheid toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. Deze beslissing leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. De raadsman heeft ter onderbouwing van het bovenstaande niets concreets aangevoerd op grond waarvan geconcludeerd zou moeten worden dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. Ook overigens is niet gebleken dat er sprake is van uitzonderlijke feiten en omstandigheden die de verstrekkende conclusie rechtvaardigen dat het openbaar ministerie geen vervolgingsrecht toekomt. Het verweer faalt. Tenlastelegging Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat: 1.zij op of omstreeks 12 februari 2018 (in een pand aan de [adres 2]) te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 39 hennepplanten, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 2.zij op of omstreeks 12 februari 2018 (in een pand aan de [adres 3]) te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 21 hennepplanten en/of 17 hennepstekken, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, gelet op de ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweren en om proceseconomische redenen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1.zij op 12 februari 2018 in een pand aan de [adres 2] te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad 39 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 2.zij op 12 februari 2018 in een pand aan de [adres 3] te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad 21 hennepplanten en 17 hennepstekken, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde De raadsman heeft bepleit dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat sprake is van overmacht in de zin van noodtoestand dan wel omdat de materiële wederrechtelijkheid ontbreekt. De verdachte moet hennep gebruiken om gezondheidsredenen, zij heeft last van chemische overgevoeligheid met als symptomen misselijkheid, hoofdpijn en slapeloosheid. Daarnaast kampt zij met depressieve en PTSS-klachten. De verdachte is vanwege haar volledig biologische levensstijl genoodzaakt de door haar man zelf gekweekte hennep te gebruiken omdat de voorgeschreven medicinale cannabis in Nederland wordt verstrekt door [BV] BV. Dit bedrijf bestraalt de cannabis met gammastraling en de verdachte wenst zich niet aan straling bloot te stellen. Zij is juist uit Japan gevlucht vanwege het stralingsgevaar na de nucleaire ramp in Fukushima. Daarnaast zorgt de juiste balans tussen THC, CBD en terpenen in de zelfgekweekte cannabis voor de beste werking. De medicinale cannabis van [BV] heeft een andere balans van deze werkzame stoffen omdat de cannabis niet organisch is gekweekt. Die balans wordt verder verstoord door de straling. Het gebruik van de hennep die in coffeeshops wordt verkocht is ook geen alternatief omdat deze vaak verontreinigd is met bestrijdingsmiddelen. Voor de verdachte, die er een biologisch-dynamische, natuurlijke levensstijl op nahoudt, is het gebruik van deze verontreinigde cannabis uit den boze. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van uitzonderlijke omstandigheden waardoor het beroep op overmacht, dan wel het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid faalt. Het hof oordeelt als volgt. Nu de wetgever in de Opiumwet een bijzondere regeling heeft getroffen in de vorm van het kunnen verkrijgen van een mogelijke ontheffing in verband met geneeskundige toepassing van cannabis, kan een beroep op overmacht in de zin van noodtoestand slechts bij hoge uitzondering worden aanvaard. In een individueel geval kunnen uitzonderlijke omstandigheden met zich brengen dat een strafbare gedraging, zoals neergelegd in artikel 3 van de Opiumwet, niettemin gerechtvaardigd kan worden geacht als de verdachte daarbij heeft gehandeld vanuit een situatie waarbij zij zich geconfronteerd zag om te moeten kiezen uit onderling strijdige plichten en belangen en daarbij de zwaarstwegende heeft laten prevaleren. Het hof is van oordeel dat van die uitzonderlijke omstandigheden in onderhavig geval geen sprake is en overweegt daartoe als volgt. Uit het Forensisch geneeskundig onderzoek opgemaakt op 17 april 2020 door NFI-deskundige Forensische Geneeskunde [naam 1] blijkt dat bij de verdachte sprake is van symptomen bestaande uit misselijkheid, hoofdpijn en spanningsklachten en stresssymptomen bij confrontatie met chemische stoffen en parfums. Daarnaast is vermeld dat zij werd verwezen naar de basale geestelijke gezondheidszorg in verband met mogelijke PTSS. PTSS is een psychische aandoening die wordt vastgesteld door een psychiater. Uit de beschikbare medische gegevens is niet gebleken dat enig psychiatrisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarmee is niet gebleken dat de verdachte met PTSS is gediagnosticeerd. Op basis van de beschikbare (medische) gegevens kan dan ook geen PTSS of een andere psychische aandoening bij de verdachte worden geobjectiveerd. Ten aanzien van de overige klachten wordt overwogen dat dit subjectieve klachten zijn, zonder dat er bij objectief onderzoek afwijkingen zijn vastgesteld. Vervolgens ziet het hof zich voor de vraag gesteld of er, naast het gebruik van zelf gekweekte cannabis, andere behandelmethoden zijn die tot verlichting van de door de verdachte ervaren klachten kunnen leiden. In het eerder genoemde rapport wordt overwogen dat voor behandeling daarvan meerdere therapeutische opties bestaan zoals het gebruik van pijnstillers, medicatie tegen misselijkheid, kalmerende middelen of psychologische behandeling. Voor de werkzaamheid van deze reguliere therapeutische behandelmogelijkheden bij deze klachten bestaat wetenschappelijk bewijs en er is geen reden gevonden waarom deze behandelmogelijkheden in dit geval geen realistische optie zouden zijn. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is niet gebleken dat deze reguliere behandelmogelijkheden (duurzaam) door de verdachte zijn benut. Gelet hierop is het hof van oordeel dat er redelijke alternatieven behandelmogelijkheden voorhanden zijn ter bestrijding van de door de verdachte ervaren klachten in plaats van het gebruik van de zelf gekweekte cannabis. Ten aanzien van die andere behandelopties stelt de verdachte stelt zich op het standpunt dat enkel cannabis verlichting biedt voor de pijnklachten die zij ervaart. De medicinale cannabis die door de apotheken in Nederland wordt verstrekt is voor haar geen optie nu deze cannabis wordt bestraald met gammastraling en de balans van de werkzame stoffen daardoor wordt verstoord. De NFI-deskundige Forensische Toxicologie [naam 2] heeft hier onderzoek naar gedaan. De uitkomsten hiervan zijn neergelegd in het Toxicologisch NFI rapport van 9 juni 2020. In dit rapport wordt beschreven dat de concentraties van de werkzame bestanddelen, THC en CBD, in de door de medeverdachte zelf gekweekte cannabis niet verschillen van de concentraties in de door [BV] verstrekte medicinale cannabis. Wanneer het bestralen van de cannabis met gammastraling onder de juiste omstandigheden wordt toegepast, heeft dit geen negatieve invloed op de samenstelling van het product. Ook wordt het product niet radioactief zoals soms wordt gedacht. Gelet hierop is het hof van oordeel dat ook voor het gebruik van de zelf gekweekte cannabis alternatieven bestaan, namelijk de door de apotheek verstrekte medicinale cannabis. Tot slot rechtvaardigen de aangevoerde bezwaren tegen het gebruik van niet zelf gekweekte cannabis die verband houden met de biologische en natuurlijke levensstijl van de verdachte niet de conclusie dat sprake was een noodtoestand. Het beroep op overmacht in de zin van noodtoestand faalt. Voor een geslaagd beroep op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid zal sprake moeten zijn van een situatie waarin door handelen in strijd met de desbetreffende wettelijke bepaling(en) het doel dat met deze bepaling wordt beoogd beter is gediend. In hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen ligt besloten dat het beroep op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid eveneens wordt verworpen. Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert op: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. Strafbaarheid van de verdachte Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 30 uren subsidiair 15 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als in eerste aanleg door de politierechter is opgelegd. De raadsman heeft verzocht artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toe te passen in verband met de geringe hoeveelheden en de medische noodzaak om zelf hennep te kweken. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van de Opiumwet door samen met haar man op twee adressen, waaronder hun woning, respectievelijk 39 en 21 hennepplanten en 17 hennepstekken aanwezig te hebben. Zij heeft daarbij weinig gelegen laten liggen aan een door de wetgever bepaald verbod. Het hof houdt rekening met de hoeveelheid planten die zijn aangetroffen in de kwekerijen, met het feit dat er geen sprake is van het aftappen van stroom en met de omstandigheid dat de cannabis alleen werd gekweekt voor eigen gebruik. Gelet op de omstandigheid dat, zoals het hof hiervoor heeft overwogen, de medicinale noodzaak van het telen niet aannemelijk is geworden, zijn er geen termen aanwezig de verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf. Ook anderszins heeft het hof geen termen gezien daartoe over te gaan. Het hof acht dan ook een straf, zoals opgelegd door de politierechter en gevorderd door de advocaat-generaal, passend en geboden, met name om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst op soortgelijke wijze te handelen. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis. Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. S.M.M. Bordenga, mr. R.D. van Heffen en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van mr. F. van den Brink, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 november 2020. ========================================================================= […]

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Parketnummer: P-2021/00844 Zaaknummer: 303 van 2021 Uitspraak: 22 juli 2021 Tegenspraak Vonnis van dit Gerecht in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren op [geboortedatum] in Aruba, wonende in Aruba, thans gedetineerd in het huis van bewaring in Aruba. Onderzoek van de zaak Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2021. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.E.A. Hernandez, advocaat in Aruba. De officier van justitie, mr. E. Stevens, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig (20) maanden waarvan twaalf (12) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee (2) jaren, met aftrek van voorarrest en de bijzondere voorwaarde van Reclasseringstoezicht gedurende de proeftijd.

Zijn vordering behelst voorts de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen verdovende middelen. De raadsman heeft bepleit dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd: dat hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 30 juli 2020 tot en met 30 januari 2021 in Aruba, opzettelijk hennep, althans enige gebruikelijke bereiding waaraan de hars die uit hennep wordt getrokken ten grondslag ligt, als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Landsverordening verdovende middelen of in de Regeling aanwijzing verdovende middelen I, in bezit en/of aanwezig heeft gehad.

Formele voorvragen Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. Bewezenverklaring Het Gerecht acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd, met dien verstande: dat hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 30 juli 2020 tot en met 30 januari 2021 in Aruba, opzettelijk hennep, althans enige gebruikelijke bereiding waaraan de hars die uit hennep wordt getrokken ten grondslag ligt, als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Landsverordening verdovende middelen of in de Regeling aanwijzing verdovende middelen I, in bezit en/of aanwezig heeft gehad.

Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring. * Een proces-verbaal van aanhouding verdachte van 31 januari 2021, voor zover inhoudende, als verklaring van de verbalisanten, -zakelijk weergegeven-:

In verband met een lopend onderzoek onder de naam Caleta werd op 30 januari 2021, bij het adres [adres 1], na uitdrukkelijke toestemming van de eigenaar [verdachte], onderzoek in een woning verricht. Tijdens de huiszoeking werd een grote hoeveelheid verdovende middelen en een zwarte weegschaal aangetroffen. [verdachte] werd aangehouden. * Een proces-verbaal van beschrijving wegen en testen, van 2 februari 2021 voor zover inhoudende, als verklaring van de verbalisanten, [verbalisant 1] en [verbalisant 2], -zakelijk weergegeven: Op 30 januari 2021, hadden wij, verbalisanten, een onderzoek ingesteld aan de inhoud en samenstelling van een hoeveelheid van de navolgende: 29 rechthoekige pakketten, inhoudende op marihuana lijkende kruiden, 2 plastic zakken, inhoudende op marihuana gelijkende kruiden.

Deze werden tijdens onderzoek in de woning te [adres 1], toebehorende aan de verdachte [verdachte], aangetroffen en inbeslaggenomen voor verder onderzoek. De inbeslaggenomen verdovende middelen zijn gelabeld met letters/nummers, van A1 t/m A28 en B1 t/m B3. Gewicht Totaal Gewicht A1 t/m A28: 14.593,5 gram Totaal Gewicht B1 t/m B3: 714,1 gram Fieldtest: Vervolgens hebben wij een kleine hoeveelheid van de bruin op marihuana lijkende kruiden genomen, gedaan in testbuisjes bestemd voor het testen van hennep en de zogenaamde fieldtests werden genomen.

Deze tests vielen positief uit, voor de aanwezigheid van hennep. * De verklaring van de verdachte, op 2 juli 2021 afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting, voor zover inhoudende, -zakelijk weergegeven-: Ik heb in de maand juni 2020 de drugs van [drugsverschaffer] gekregen om ze in mijn vriezer te bewaren. * Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 1 februari 2021, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte, -zakelijk weergegeven-: Ongeveer zes maanden geleden heeft de man [drugsverschaffer], de marihuanapakketten bij mij gebracht om te bewaren.

Hij zou deze komen ophalen, en hij beloofde mij hiervoor te betalen. Tot op heden ben ik niet betaald. Hij is inmiddels overleden. Verweren ten aanzien van de strafbaarheid Standpunt van de verdediging De raadsman heeft ten aanzien van het feit een beroep gedaan op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid en ontslag van alle rechtsvervolging bepleit. Hij heeft hiertoe -samengevat- aangevoerd, dat de verdachte de drugs als gunst bewaarde voor iemand anders die, voordat hij zijn verdovende middelen kon komen ophalen, is komen te overlijden.

De keuze van cliënt om die verdovende middelen rustig in de vriezer te laten in plaats van zich ervan te ontdoen, was in het belang van de samenleving, aldus de raadsman. Standpunt van de officier van justitie De officier heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een situatie dat het bewaren van de marihuana een ander doel zou dienen. De verdachte wist dat de verdovende middelen in zijn vriezer lagen en heeft andere keuzes kunnen maken. Het oordeel van het Gerecht Voor een geslaagd beroep op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid zal sprake moeten zijn van een situatie waarin door handelen in strijd met de desbetreffende wettelijke bepaling(en) het doel dat met deze bepaling wordt beoogd beter is gediend (vgl. Hof Amsterdam d.d. 6 november 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:3016,) Ingevolge artikel 3, lid 1, onder sub b en C van de Landsverordening verdovende middelen is het verboden om hennep te bezitten, aanwezig te hebben of aan te wenden.

Het doel dat met deze Landsverordening wordt beoogd is het bestrijden van de handel in en het gebruik van illegale drugs. Uit de eigen verklaring van de verdachte volgt dat hij wist dat hij illegale verdovende middelen in zijn vriezer had liggen. Dat hij deze – volgens zijn verklaring – bewaarde voor iemand anders die inmiddels is overleden, brengt niet met zich dat daarmee sprake is van een situatie waarin het bestrijden van de handel in en het gebruik van illegale drugs beter is gediend. Het verweer wordt verworpen. Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde Het bewezenverklaarde levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met artikel 4, eerste lid, onder C van de Landsverordening verdovende middelen, strafbaar gesteld bij artikel 11 van deze Landsverordening. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde. Oplegging van straf Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van ruim 15.307,6 gram hennep. Hij heeft daarbij niet gestoord aan een door de wetgever bepaald verbod. Naar het oordeel van het Gerecht kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Bij de strafoplegging zal het Gerecht rekening houden met de omstandigheid dat verdachte eerder, maar niet recentelijk (in 2004) is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten, zoals blijkt uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 29 april 2021. Het Gerecht zal tevens rekening houden met de omstandigheid dat de verdachte inmiddels 64 jaar oud is en gezondheidsproblemen met betrekking tot zijn hart heeft. Het Gerecht heeft voorts acht geslagen op de door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie geformuleerde oriëntatiepunten voor straftoemeting.

Het Gerecht is, na dit een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat een gevangenisstraf van na te melden duur met een deel voorwaardelijk passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld. In beslag genomen voorwerpen Aan de orde zijn voorts de onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen. Onttrekking aan het verkeer De verdovende middelen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, nu het (ongecontroleerde) bezit ervan in strijd is met de wet. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:19, 1:20, 1:21, 1:22, 1:61, 1:62, 1:74, 1:75 en 1:224 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING Het Gerecht: verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor bewezen geacht, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij; kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven; verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig (20) maanden; bepaalt dat een gedeelte van deze straf, groot twaalf (12)maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op twee (2) jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt; als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens de Stichting Reclassering Aruba, zulks zolang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt; beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht; beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven verdovende middelen.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. N.K. Engelbrecht, bijgestaan door mevrouw M.V. Alvarez, (zittingsgriffier), en op 22 juli 2021 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Aruba. uitspraakgriffier: Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant(en) in wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal en overige geschriften, die als bijlagen zijn opgenomen in het eindproces-verbaal van het Korps Politie Aruba (Divisie Centrale Recherche, unit Georganiseerde Criminaliteit) d.d. 21 april 2021, geregistreerd onder proces-verbaalnummer A-16/21 en de onderzoeksnaam “Winchi”.