Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:OGEAA:2017:46 ECLI:NL:OGEAA:2017:46 AI generated

ECLI:NL:OGEAA:2017:46 · Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Case Number ECLI:NL:OGEAA:2017:46
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Uitspraak van 23 januari 2017 LAR nr. 1719 van 2016 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA UITSPRAAK op het beroep in de zin van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van: DE STICHTING MIDDELBAAR ONDERWIJS ARUBA (SMOA), gevestigd in Aruba, APPELLANTE, gemachtigde: mr. E.R. Zeppenfeldt, advocaat, gericht tegen: DE MINISTER VAN ONDERWIJS, GEZINSBELEID EN VOLWASSENEDUCATIE, zetelend in Aruba, VERWEERDER, gemachtigde: mr. J.O. Senchi (DWJZ). 1PROCESVERLOOP Bij brief van 22 oktober 2013 heeft appellante verweerder verzocht om haar subsidie te verlenen voor de bekostiging van de uitzending van een docent Nederlands van Colegio Arubano gedurende de periode van 3 januari 2013 tot 1 maart 2013.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:OGEAA:2017:46 · Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba: Daarbij wordt in aanmerking genomen dat appellante aan het verzoek van 22 oktober 2013 geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in vorenbedoelde zin ten grondslag heeft gelegd. 2.4 Het beroep is ongegrond. 2.5 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3DE BESLISSING De rechter in dit gerecht: verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 januari 2017, in tegenwoordigheid van de griffier. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 53a LAR).

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:OGHNAA:2004:BF3982
Procesverloop Bij brief van 9 juli 2001 heeft de Centrale Bank van Aruba (hierna: de CBA) aan appellante meegedeeld dat zij in haar brief van 1 juni 2001 en het met haar op 11 mei 2001 gevoerde gesprek geen aanleiding ziet terug te komen op haar in de brief van 2 mei 2001 vermelde weigering om het besluit van 25 oktober 2000 inzake de betaling van deviezenprovisie te herzien. Bij beschikking van 15 januari 2002 heeft de CBA het daartegen door appellante gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. Bij uitspraak van 29 oktober 2003 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) het daartegen door appellante ingestelde beroep gedeeltelijk gegrond verklaard, die beschikking gedeeltelijk vernietigd en voor het overige ongegrond.
ECLI:NL:OGHACMB:2012:BY7677
Procesverloop Bij beschikking van 23 november 2010 heeft de minister van Justitie en Onderwijs (hierna: de minister) een verzoek van appellante van 20 april 2010 om ten gunste van haar van onderscheiden landsbesluiten van 30 juni en 24 juli 2008 terug te komen afgewezen. Bij ongedateerde beschikking, waarvan een afschrift aan appellante is uitgereikt op 14 juni 2011, heeft de minister het door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 16 november 2011 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij het Gerecht ingekomen op 20 december 2011, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft nadere stukken ingediend. Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 oktober 2012, waar appellante in persoon en de minister, vertegenwoordigd door mr. F.A. Gibbs, advocaat, zijn verschenen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Uitspraak van 23 januari 2017 LAR nr. 1719 van 2016 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA UITSPRAAK op het beroep in de zin van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van: DE STICHTING MIDDELBAAR ONDERWIJS ARUBA (SMOA), gevestigd in Aruba, APPELLANTE, gemachtigde: mr. E.R. Zeppenfeldt, advocaat, gericht tegen: DE MINISTER VAN ONDERWIJS, GEZINSBELEID EN VOLWASSENEDUCATIE, zetelend in Aruba, VERWEERDER, gemachtigde: mr. J.O. Senchi (DWJZ). 1PROCESVERLOOP Bij brief van 22 oktober 2013 heeft appellante verweerder verzocht om haar subsidie te verlenen voor de bekostiging van de uitzending van een docent Nederlands van Colegio Arubano gedurende de periode van 3 januari 2013 tot 1 maart 2013.

Bij beschikking van 14 oktober 2014 heeft verweerder dat verzoek afgewezen. Bij brief van 25 november 2014 heeft appellante daartegen bezwaar gemaakt. Bij uitspraak van 14 maart 2016 heeft het gerecht het tegen het uitblijven van een beschikking op het gemaakte bezwaar ingestelde beroep gegrond verklaard, het met een afwijzende beschikking gelijkgestelde uitblijven vernietigd en bepaald dat verweerder binnen twee maanden op het gemaakte bezwaar beschikt. Bij beschikking van 6 juni 2016 heeft verweerder het gemaakte bezwaar alsnog ongegrond verklaard.

Op 18 juli 2016 heeft appellante daartegen beroep ingesteld. Op 3 oktober 2016 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Het gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 november 2016, waar appellante, vertegenwoordigd door haar bureauchef G. Kelly, bijgestaan door de gemachtigde voornoemd, en verweerder, vertegenwoordigd door de gemachtigde voornoemd, zijn verschenen. Uitspraak is bepaald op heden. 2OVERWEGINGEN 2.1 Bij beschikking van 6 juni 2016 heeft verweerder de afwijzing van 14 oktober 2014 in bezwaar gehandhaafd. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat appellante voorafgaand aan de uitzending geen verzoek om uitzending heeft gedaan en aldus de aanvraagprocedure voor verkrijging van bekostiging voor uitgezonden docenten niet heeft gevolgd, waarbij onder meer een controle van de onderliggende stukken plaatsvindt en betrokkenen medisch gekeurd en politieel doorgelicht worden.

Voorts is de desbetreffende uitzending, voor de duur van twee maanden, in strijd met het gevoerde uitzendbeleid, zoals neergelegd in de “Regeling inzake uit- en terugzendingsvoorzieningen t.b.v. uit Nederland uitgezonden of gedetacheerde leerkrachten geldig m.i.v. het schooljaar 2001/2002”, dat slechts voorziet in uitzendingen voor de duur van minimaal drie jaren, aldus die beschikking. 2.2 Verweerder betoogt in het verweerschrift dat hij het tegen de brief van 14 oktober 2014 gemaakte bezwaar ten onrechte niet niet ontvankelijk heeft verklaard, nu die brief geen beschikking behelst.

Die brief is niet gericht op enig rechtsgevolg, omdat daarin slechts informatie wordt verstrekt, aldus verweerder. 2.2.1 Dit betoog faalt. Bij zijn uitspraak van 14 maart 2016 heeft het gerecht, onder verwijzing naar de uitspraak van het Hof van 29 november 2004, ECLI:NL:OGHNAA:2004:BF3982, geoordeeld dat de brief van 14 oktober 2014 een beschikking behelst, waartegen bezwaar kon worden gemaakt. Het gerecht ziet geen aanleiding om thans tot een ander oordeel te komen. Daarbij neemt het gerecht in aanmerking dat in de brief van 14 oktober 2014 is vermeld dat deze is gegeven op het tweede verzoek van appellante om bekostiging van de uitzendkosten van de desbetreffende docent Nederlands, dat appellante niet heeft gehandeld in overeenstemming met de te volgen procedure en dat de uitzending van die docent niet in overeenstemming met de uitzendregeling is, en dat dat verzoek om die reden nogmaals wordt afgewezen.

Gelet op deze bewoordingen is deze brief, waarbij een verzoek wordt afgewezen, op enig rechtsgevolg gericht en is deze niet slechts van informatieve aard. 2.3 Verweerder betoogt verder in het verweerschrift dat het verzoek van 22 oktober 2013 reeds voor afwijzing in aanmerking komt, omdat appellante daarbij heeft verzocht terug te komen van een in rechte onaantastbare afwijzing en daarbij geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft gesteld. 2.3.1 Dit betoog, dat ziet op een door het gerecht ambtshalve te beoordelen kwestie, slaagt. Bij zijn uitspraak van 14 maart 2016 heeft het gerecht overwogen dat het verzoek van 22 oktober 2013 een verzoek is om terug te komen van een in rechte onaantastbare beschikking.

Daarbij heeft het gerecht in aanmerking genomen dat appellante eerder, bij brief van 14 juni 2013, verweerder heeft verzocht om haar subsidie te verlenen voor de bekostiging van de uitzending van de desbetreffende docent Nederland en dat verweerder dat verzoek bij beschikking van 24 juli 2013 heeft afgewezen. Tegen die afwijzing heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend, zodat deze in rechte onaantastbaar is geworden, aldus het gerecht in die uitspraak. Het gerecht ziet geen aanleiding om thans tot een ander oordeel te komen. 2.3.2 Volgens vaste rechtspraak van het Hof (onder meer uitspraken van 29 november 2004;

ECLI:NL:OGHNAA:2004:BF3982 en van 14 december 2012; ECLI:NL:OGHACMB:2012:BY7677) kan niet worden aanvaard dat langs de weg van het indienen van een verzoek om van een in rechte onaantastbare beschikking terug te komen, het verkrijgen van een beschikking daarop, het indienen van een bezwaarschrift daartegen en het verkrijgen van een beschikking daarop, kan worden bereikt dat de rechter de beschikking op dat bezwaarschrift beoordeelt als was het beroep gericht tegen de oorspronkelijke beschikking. Hiertegen verzet zich het wettelijk voorschrift dat de mogelijkheid tot het aanwenden van rechtsmiddelen aan een termijn bindt.

De rechtszekerheid vereist dat een besluit na het verstrijken van een redelijke bezwaar- of beroepstermijn of na uitputting van alle rechtsmiddelen definitief wordt. Slechts indien en voor zover aan het verzoek dat tot het geven van die beschikking aanleiding heeft gegeven, nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd, dan wel zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen die beschikking, de motivering ervan en de wijze waarop zij tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst, als betrof het de eerste beschikking.

Nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in evenbedoelde zin zijn feiten of omstandigheden die na de eerdere beschikking zijn opgekomen of niet vóór deze beschikking konden worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van eerder gestelde feiten of omstandigheden die niet vóór het geven van de eerdere beschikking konden worden geproduceerd. 2.3.3 In het in beroep aangevoerde kan geen grond gevonden worden voor het oordeel dat verweerder in het verzoek van 22 oktober 2013 ten onrechte geen grond heeft gezien om terug te komen van de in rechte onaantastbare afwijzing van het verzoek van 14 juni 2013.

Daarbij wordt in aanmerking genomen dat appellante aan het verzoek van 22 oktober 2013 geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in vorenbedoelde zin ten grondslag heeft gelegd. 2.4 Het beroep is ongegrond. 2.5 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3DE BESLISSING De rechter in dit gerecht: verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 januari 2017, in tegenwoordigheid van de griffier. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 53a LAR).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen zes weken na de dag waarop de beslissing op het beroep is gedagtekend. De instelling van het hoger beroep geschiedt door indiening bij de griffie van het Gerecht van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 53b LAR).