Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:OGEAA:2017:1060 ECLI:NL:OGEAA:2017:1060 AI generated

ECLI:NL:OGEAA:2017:1060 · Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Case Number ECLI:NL:OGEAA:2017:1060
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Uitspraak van 17 juni 2019 LAR nr. AUA201802620 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA UITSPRAAK op het beroep in de zin van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van: [appellant], wonende in Aruba, APPELLANT, gemachtigde: de advocaat mr. H.G. Figaroa, gericht tegen: DE BEOORDELINGSCOMMISSIE VRIJWILLIGE UITDIENSTTREDING, zetelende in Aruba, VERWEERDER, gemachtigde: dhr. A. Lumenier (DWJZ). PROCESVERLOOP Bij beschikking van 11 december 2015 heeft verweerder de aanvraag van appellant om hem op de voet van de Landsverordening vrijwillige uitdiensttreding (hierna:

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:OGEAA:2017:1060 · Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba: Van belang is verder dat de Lvut niet is bedoeld om aan een ambtenaar die om hem moverende redenen ontslag (op grond van de Lma) vraagt, bijzondere aanspraken toe te kennen. 3.4 Dit leidt tot de slotsom dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat appellant ten tijde van de heroverweging – in juni 2018 – niet meer in aanmerking kan komen voor ontslag op de voet van de Lvut, omdat hij geen ambtenaar meer was. Verweerder heeft evenwel ten onrechte daaraan de conclusie verbonden dat appellant geen belanghebbende meer is in de zin van de Lar. Gelet op het bepaalde in artikelen 3 i.s.m. 9 van de Lar, is appellant, zijnde de ontvanger van de beslissing op bezwaar, belanghebbende in de zin van de Lar.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:OGHNAA:2005:BF7453
Procesverloop Bij beschikking van 4 augustus 2003 heeft de Minister van Financiën en Economische Zaken (hierna: de Minister) geweigerd appellanten belastingfaciliteiten toe te kennen ten behoeve van de verbetering en uitbreiding van het Hyatt Regency Hotel en Casino in Aruba. Bij beschikking van 19 december 2003 heeft de Minister het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 30 juni 2004 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 3 augustus 2004, bij het Gerecht ingekomen op de volgende dag, hoger beroep ingesteld bij het Hof. Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 april 2005, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. M.L.J.J.P. Willems, advocaat, en de Minister, vertegenwoordigd door mr. P.D. Langerak, zijn verschenen.
ECLI:NL:OGHNAA:2008:BH1284
Procesverloop Bij beschikking van 29 januari 2007 heeft de Beoordelingscommissie vrijwillige uitdiensttreding, bedoeld in artikel 1 van de Landsverordening vrijwillige uitdiensttreding (hierna onderscheidenlijk: de commissie en de LvVUT), een aanvraag van [appellante] (hierna: [appellante]) om haar op de voet van die verordening eervol ontslag te verlenen afgewezen. Bij beschikking van 18 september 2007 heeft de commissie het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 14 mei 2008 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij het Gerecht ingekomen op 25 juni 2008, hoger beroep ingesteld bij het Hof. Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 september 2008, waar [appellante] in persoon, bijgestaan door mr. E.R. Zeppenfeldt, advocaat, en de commissie, vertegenwoordigd door mr. J.E. Gibson, advocaat, zijn verschenen.
ECLI:NL:OGHACMB:2015:24
HLAR 65469/14 Datum uitspraak: 9 oktober 2015 gemeenschappelijk hof van jusTitie van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Uitspraak op het hoger beroep van: De Sociale Verzekeringsbank Curaçao (hierna: de SVB), appellante, tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 11 november 2014 in zaaknr. Lar 2013/65469, in het geding tussen: appellante en Klein St. Michiel Advocatuur B.V (hierna: KSMA). Procesverloop Bij beschikking van 19 november 2012 heeft de SVB aan KSMA een naheffingsaanslag voor het jaar 2011 opgelegd.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Uitspraak van 17 juni 2019 LAR nr. AUA201802620 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA UITSPRAAK op het beroep in de zin van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van: [appellant], wonende in Aruba, APPELLANT, gemachtigde: de advocaat mr. H.G. Figaroa, gericht tegen: DE BEOORDELINGSCOMMISSIE VRIJWILLIGE UITDIENSTTREDING, zetelende in Aruba, VERWEERDER, gemachtigde: dhr. A. Lumenier (DWJZ). PROCESVERLOOP Bij beschikking van 11 december 2015 heeft verweerder de aanvraag van appellant om hem op de voet van de Landsverordening vrijwillige uitdiensttreding (hierna:

Lvut) eervol ontslag te verlenen, afgewezen. Bij beslissing van 13 juli 2018 (de bestreden beslissing) heeft verweerder het daartegen door appellant gemaakte bezwaar, niet-ontvankelijk verklaard. Daartegen heeft appellant op 22 augustus 2018 beroep ingesteld. Het gerecht heeft de zaak op 11 februari 2019 ter zitting behandeld, alwaar zijn verschenen appellant bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd, en verweerder bij zijn gemachtigde voornoemd. Uitspraak is bepaald op heden. OVERWEGINGEN Standpunten van partijen 1.1 Appellant kan zich niet verenigen met de bestreden beslissing, en heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat hij wel degelijk nog belanghebbende is in deze procedure, omdat zijn ontslag omgezet kan worden in een vrijwillige uitdiensttreding, dat de Lar, behalve in artikelen 12 en 14, geen grondslag biedt voor een niet-ontvankelijkverklaring van een bezwaar en dat de beschikking waartegen zijn bezwaar zich richt, op verkeerde gronden is genomen, althans onvoldoende is gemotiveerd. 1.2 Aan de bestreden beslissing is ten grondslag gelegd dat appellant vanaf 1 januari 2016, nadat hem op eigen verzoek ontslag is verleend, niet meer als ambtenaar kan worden aangemerkt, zodat hij op het tijdstip van heroverweging van de beschikking geen aanspraak meer kan maken op de in de Lvut geboden mogelijkheid om vrijwillig uit dienst te treden.

Daarom kan hij niet meer aangemerkt worden als belanghebbende in de zin van de Lar. Wettelijk kader 2.1 Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Lvut kunnen, voor zover hier van belang, ambtenaren gedurende een bij landsbesluit vast te leggen periode van twee maanden een verzoek doen om in aanmerking te komen voor eervol ontslag, onder gelijktijdige toekenning van in deze landsverordening nader omschreven bijzondere aanspraken. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Lar wordt in deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen verstaan onder belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een beschikking is betrokken.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Lar kan degene die door een beschikking rechtstreeks in zijn belang is getroffen, het bestuursorgaan verzoeken de beschikking in heroverweging te nemen, tenzij deze op bezwaar is genomen. Inhoudelijk 3.1 Volgens vaste rechtspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie dient de heroverweging van de beschikking waartegen bezwaar wordt gemaakt in beginsel te geschieden met toepassing van het recht, zoals dat geldt op het moment waarop de beschikking op bezwaar wordt gegeven en uitgaande van de feiten en omstandigheden ten tijde van de op het bezwaar te geven beschikking.

Deze regel kan uitzondering lijden, indien sprake is van bijzondere omstandigheden. 3.2 In dit geval is het volgende gebleken. Appellant, ambtenaar vanaf 1 mei 2009, heeft op 13 november 2015 een aanvraagformulier VUT, ingediend ter verkrijging van VUT met ingang van 1 januari 2016. Dit verzoek is bij beschikking van 11 december 2015 door verweerder, afgewezen. Op 17 december 2015 heeft appellant hiertegen bezwaar gemaakt. Bij brief van 28 december 2015 gericht aan de minister van Justitie, heeft appellant eervol ontslag verzocht met ingang van 1 januari 2016.

Bij Landsbesluit van 14 april 2016 no. 7, is hem vervolgens op zijn verzoek van 28 december 2016, eervol ontslag verleend met ingang van 1 januari 2016. Het bezwaar van appellant is door de bezwaaradviescommissie van de Lar, behandeld op 23 januari 2018. 3.3 Nu appellant vanaf 1 januari 2016 geen ambtenaar meer is, komt hij vanaf dat moment niet (meer) in aanmerking komt voor een ontslag op de voet van de Lvut. Het gerecht kan appellant gelet daarop dan ook niet volgen in zijn betoog dat zijn ontslag op eigen verzoek kan worden “omgezet” in een ontslag op de voet van de Lvut.

Van belang is verder dat de Lvut niet is bedoeld om aan een ambtenaar die om hem moverende redenen ontslag (op grond van de Lma) vraagt, bijzondere aanspraken toe te kennen. 3.4 Dit leidt tot de slotsom dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat appellant ten tijde van de heroverweging – in juni 2018 – niet meer in aanmerking kan komen voor ontslag op de voet van de Lvut, omdat hij geen ambtenaar meer was. Verweerder heeft evenwel ten onrechte daaraan de conclusie verbonden dat appellant geen belanghebbende meer is in de zin van de Lar. Gelet op het bepaalde in artikelen 3 i.s.m. 9 van de Lar, is appellant, zijnde de ontvanger van de beslissing op bezwaar, belanghebbende in de zin van de Lar.

De beslissing dat het bezwaarschrift van appellant niet-ontvankelijk dient te worden verklaard is dan ook niet op goede grond genomen. In zoverre is het beroep dan ook gegrond. 3.5 Dat het verzoek van appellant om – kort gezegd – met VUT te gaan, gelet op de feiten en omstandigheden op het moment van heroverweging, niet (meer) voor toewijzing in aanmerking komt, maakt zijn bezwaar evenwel ongegrond. Gelet hierop ziet het gerecht aanleiding om op na te melden wijze zelf in de zaak te voorzien. 3.6 Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING De rechter in dit gerecht: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de bestreden beslissing op bezwaar van 13 juli 2018, - verklaart het bezwaar van appellant, gericht tegen de beschikking van 11 december 2015, ongegrond, - wijst af het meer of anders verzochte. Deze beslissing werd gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in dit gerecht, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op maandag 17 juni 2019, in aanwezigheid van de griffier. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na dagtekening van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (LAR-zaken).

Het hogerberoepschrift moet worden ingediend bij de griffie van dit Gerecht. U wordt verzocht bij het indienen van het hogerberoepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het hogerberoepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het hogerberoepschrift en vermeld het volgende: a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde, b. de dag van ondertekening, c. waartegen u in hoger beroep komt, d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep). Voor het instellen van hoger beroep is een griffierecht van Afl. 75 verschuldigd. Zie onder meer de uitspraken van 30 mei 2005; ECLI:NL:OGHNAA:2005:BF7453, 20 november 2008; ECLI:NL:OGHNAA:2008:BH1284,en 9 oktober 2015; ECLI:NL:OGHACMB:2015:24