Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2026:976 ECLI:NL:HR:2026:976 AI generated

ECLI:NL:HR:2026:976 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2026:976
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 25/02781 Datum 19 juni 2026 ARREST op het door [X] (hierna: belanghebbende) ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 11 juli 2025, nr. SGR 25/854 V. 1Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie 1.1 Belanghebbende heeft met betrekking tot het voor de cassatieprocedure verschuldigde griffierecht een beroep op betalingsonmacht als bedoeld in artikel 29 AWR in samenhang gelezen met artikel 8:109 Awb en artikel 8:41, lid 6, tweede volzin, Awb gedaan.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:109 Awb; ECLI:NL:HR:2026:976 · Hoge Raad: SGR 25/854 V. 1Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie 1.1 Belanghebbende heeft met betrekking tot het voor de cassatieprocedure verschuldigde griffierecht een beroep op betalingsonmacht als bedoeld in artikel 29 AWR in samenhang gelezen met artikel 8:109 Awb en artikel 8:41, lid 6, tweede volzin, Awb gedaan.

Keywords

AI generated
artikel 8:109 Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:109 Awb
1Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie 1.1 Belanghebbende heeft met betrekking tot het voor de cassatieprocedure verschuldigde griffierecht een beroep op betalingsonmacht als bedoeld in artikel 29 AWR in samenhang gelezen met artikel 8:109 Awb en artikel 8:41, lid 6, tweede volzin, Awb gedaan.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2025:1651
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/02558 Datum 7 november 2025 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 mei 2024, nr. BK-ARN 22/1064, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nr. LEE 21/466) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2016 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
ECLI:NL:HR:2015:354
20 februari 2015 nr. 14/05176 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Limburg van 15 september 2014, nr. ROE 14/73 V, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Venray. De uitspraak van de Rechtbank op het verzet is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2022:743
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 20/02397 Datum 24 juni 2022 ARREST in de zaak van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN, vertegenwoordig door [P], op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 22 juni 2020, nr. BK-19/00671. 1Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie Belanghebbende heeft ter zake van betaling van het verschuldigde griffierecht een beroep op betalingsonmacht gedaan.Na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld door de griffier van de Hoge Raad (hierna: de griffier) heeft belanghebbende een verklaring omtrent afwezigheid van vermogen aan de Hoge Raad geretourneerd en daarbij een betalingsspecificatie van de Svb inzake een nabestaandenuitkering Anw in de maand december 2020 overgelegd.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 25/02781 Datum 19 juni 2026 ARREST op het door [X] (hierna: belanghebbende) ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 11 juli 2025, nr. SGR 25/854 V. 1Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie 1.1 Belanghebbende heeft met betrekking tot het voor de cassatieprocedure verschuldigde griffierecht een beroep op betalingsonmacht als bedoeld in artikel 29 AWR in samenhang gelezen met artikel 8:109 Awb en artikel 8:41, lid 6, tweede volzin, Awb gedaan.

De griffier van de Hoge Raad (hierna: de griffier) heeft belanghebbende in de gelegenheid gesteld de betalingsonmacht te onderbouwen. Daarop heeft belanghebbende via het webportaal van de Hoge Raad op 29 augustus 2025 een ingevuld “Formulier voor Verklaring afwezigheid vermogen” (met bijlage) ingediend, en op 25 september 2025 een brief aan de griffier doen toekomen. 1.2 Op 1 oktober 2025 heeft de griffier een bericht in het digitale dossier van belanghebbende geplaatst. Daarin is aan belanghebbende meegedeeld dat de betalingsonmacht niet aannemelijk is gemaakt, en dat het heffen van griffierecht wordt voortgezet.

Tevens is daarin meegedeeld dat bij niet-tijdige betaling van het griffierecht het beroep in cassatie niet-ontvankelijk kan worden verklaard. 1.3 De griffier heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 31 oktober 2025 opnieuw gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling daarvan een termijn van vier weken gesteld. Deze brief is wegens onbestelbaarheid teruggezonden aan de Hoge Raad, waarna het stuk bij gewone brief is verzonden naar het adres van belanghebbende. Het griffierecht is niet voldaan. 1.4 De griffier heeft op 4 december 2025 een bericht in het digitale dossier van belanghebbende geplaatst waarbij belanghebbende in de gelegenheid is gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet is betaald.

Belanghebbende heeft hierop gereageerd met een in het webportaal van de Hoge Raad geplaatste brief van 22 januari 2026. In die brief heeft belanghebbende – zonder daarbij nadere gegevens of bewijsstukken te verstrekken – erop gewezen dat zijn inkomen niet toereikend is om griffierecht te betalen. 1.5 Met hetgeen belanghebbende in de hiervoor in 1.1 bedoelde stukken heeft aangevoerd, heeft belanghebbende niet een zodanig inzicht verschaft in zijn inkomsten en vermogen in de voor betaling van het verschuldigde griffierecht relevante periode dat aan de hand daarvan kan worden geconcludeerd dat heffing van het volgens de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor belanghebbende onmogelijk of uiterst moeilijk maakt om beroep in cassatie in te stellen.Hetgeen belanghebbende in zijn hiervoor in 1.4 bedoelde brief heeft aangevoerd, bevat in dit verband geen informatie op grond waarvan moet worden geoordeeld dat belanghebbende ter zake van het niet-betalen van het griffierecht niet in verzuim is geweest. 1.6 Het beroep in cassatie moet daarom op grond van artikel 8:41, lid 6, eerste volzin, Awb niet-ontvankelijk worden verklaard. 2Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 3Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer E.F. Faase als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026. Vgl. HR 7 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1651. Vgl. HR 20 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:354, rechtsoverweging 2.3.4. Vgl. HR 24 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:743.