Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2026:957 ECLI:NL:HR:2026:957 AI generated

ECLI:NL:HR:2026:957 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2026:957
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/03953 Datum 19 juni 2026 ARREST in de zaak van het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE ROTTERDAM tegen [X] (hierna: belanghebbende) op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 11 september 2024, nr. BK-23/719, op het hoger beroep van de heffingsambtenaar tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (nr. ROT 22/4949) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:HR:2026:957 · Hoge Raad: Gelet op het grote aantal pakketten dat belanghebbende die dag moest bezorgen (89 stuks) en de omvang daarvan, heeft de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam volgens het Hof niet aannemelijk gemaakt dat een andere wijze van vervoer dan per auto mogelijk was. Het Hof is daarom tot de conclusie gekomen dat belanghebbende tijdens het stilstaan van zijn auto bezig was met ‘onmiddellijk laden en lossen’ in de zin van de hiervoor in 3.2 genoemde arresten, en dat hij als gevolg daarvan op grond van artikel 1 van de Verordening geen parkeerbelasting was verschuldigd. 4Beoordeling van het middel 4.1 Het middel betoogt onder meer dat het Hof met zijn hiervoor in 3.5 weergegeven oordeel is uitgegaan van een te ruime en dus onjuiste uitleg van het begrip ‘onmiddellijk laden en lossen’.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2014:445
7 maart 2014 nr. 13/01494 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 februari 2013, nr. 12/00644, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te Arnhem (nr. AWB 12/1372) betreffende een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting.
ECLI:NL:HR:1999:AA2760
Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is ter zake van het parkeren op 22 oktober 1994 een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Amsterdam opgelegd ten bedrage van ƒ 62,50 bestaande uit ƒ 4,-- aan enkelvoudige belasting en ƒ 58,50 aan kosten terzake van het opleggen van die aanslag. Tevens is bij beschikking een bedrag van ƒ 60,-- van belanghebbende gevorderd ter zake van de kosten van het aanbrengen en verwijderen van een wielklem. De aanslag en de beschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Directeur van de dienst Parkeerbeheer van de gemeente Amsterdam (hierna: de Directeur) gehandhaafd. Belanghebbende is van die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd.
ECLI:NL:HR:2025:90
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/01216 Datum 17 januari 2025 ARREST in de zaak van het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE ROTTERDAM tegen [X] (hierna: belanghebbende) op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 15 februari 2024, nrs. BK-23/233 en BK-23/234, op het hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (nrs. ROT 22/478 en ROT 22/479) betreffende aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de parkeerbelasting.
ECLI:NL:GHDHA:2024:1616
Op 28 januari 2022 om 21:02 uur heeft een parkeercontroleur geconstateerd dat de auto van eiser (kenteken [kenteken] ) stond geparkeerd op locatie [straat] te [woonplaats 1] zonder dat er aan de betaalplicht is voldaan.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/03953 Datum 19 juni 2026 ARREST in de zaak van het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE ROTTERDAM tegen [X] (hierna: belanghebbende) op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 11 september 2024, nr. BK-23/719, op het hoger beroep van de heffingsambtenaar tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (nr. ROT 22/4949) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting.

1Geding in cassatie

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 2Uitgangspunten in cassatie 2.1 Belanghebbende was op 28 januari 2022 werkzaam als pakketbezorger. De auto van belanghebbende stond op die dag om 21:02 uur aan de [a-straat] in Rotterdam op een locatie die is aangewezen als een plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting kan worden geparkeerd, terwijl op de genoemde datum en het genoemde tijdstip geen parkeerbelasting was voldaan.

Om die reden is aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd. 2.2 Ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag was de heffing van parkeerbelasting in de gemeente Rotterdam gereguleerd in de gemeentelijke Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen 2022 (hierna: de Verordening). Volgens artikel 1 van de Verordening wordt onder parkeren verstaan: “gedurende een aaneengesloten periode doen of laten stilstaan van een motorvoertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het (…) onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden;” Deze bepaling is vrijwel gelijkluidend aan artikel 225, lid 2, van de Gemeentewet.

3De oordelen van het

Hof 3.1 Voor het Hof was in geschil of op de hiervoor in 2.1 bedoelde datum, toen de auto op de daar vermelde plaats stil stond, sprake was van onmiddellijk laden en lossen of van parkeren als bedoeld in de Verordening. 3.2 Het Hof heeft vooropgesteld dat onder het begrip ‘onmiddellijk laden en lossen’ moet worden verstaan het bij voortduring inladen of uitladen van zaken van enige omvang of enig gewicht, onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht en gedurende de tijd die daarvoor nodig is. Het moet gaan om zaken van een zodanige omvang of gewicht dat zij niet of bezwaarlijk op een andere wijze dan per voertuig ter plaatse kunnen worden gehaald of gebracht.

Daarbij heeft het Hof verwezen naar de arresten van de Hoge Raad van 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:445 en 12 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2760. 3.3 Voor het Hof was niet in geschil dat de auto uitsluitend heeft stilgestaan voor het uit de auto halen van pakketten, het lopen naar de adressen waar de pakketten moesten worden afgegeven, het afleveren van de pakketten en het teruglopen naar de auto. 3.4 Het Hof heeft vastgesteld dat belanghebbende die dag 89 pakketten moest bezorgen die kleding bevatten en verschilden van zakken tot dozen van verschillende omvang en gewicht.

Uit het door belanghebbende ingediende rittenoverzicht volgt volgens het Hof dat belanghebbende omstreeks het tijdstip van het hiervoor in 2.1 genoemde stilstaan van zijn auto op tien adressen in de [a-straat] pakketten heeft afgeleverd. 3.5 Het Hof heeft geoordeeld dat hierbij sprake is van ‘laden en lossen’. Volgens het Hof stelt de Hoge Raad in de hiervoor in 3.2 genoemde arresten niet de eis dat het begrip ‘onmiddellijk laden en lossen’ per parkeerincident of bezorgadres moet worden beoordeeld. Hoewel zou kunnen worden betoogd dat de pakketten per stuk wellicht van enigszins beperkte omvang en gewicht zijn, is het totaal van de pakketten die belanghebbende op die dag moest bezorgen van zodanige omvang of gewicht dat deze niet of bezwaarlijk op een andere wijze dan per auto ter plaatse had kunnen worden gebracht, aldus het Hof.

Gelet op het grote aantal pakketten dat belanghebbende die dag moest bezorgen (89 stuks) en de omvang daarvan, heeft de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam volgens het Hof niet aannemelijk gemaakt dat een andere wijze van vervoer dan per auto mogelijk was. Het Hof is daarom tot de conclusie gekomen dat belanghebbende tijdens het stilstaan van zijn auto bezig was met ‘onmiddellijk laden en lossen’ in de zin van de hiervoor in 3.2 genoemde arresten, en dat hij als gevolg daarvan op grond van artikel 1 van de Verordening geen parkeerbelasting was verschuldigd. 4Beoordeling van het middel 4.1 Het middel betoogt onder meer dat het Hof met zijn hiervoor in 3.5 weergegeven oordeel is uitgegaan van een te ruime en dus onjuiste uitleg van het begrip ‘onmiddellijk laden en lossen’.

Het middel slaagt op de gronden vermeld in rechtsoverweging 4.2 van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:90. 4.2 De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. Het middel behoeft voor het overige geen behandeling. Verwijzing moet volgen voor een onderzoek wat de omvang en het gewicht was van het pakket dan wel de combinatie van pakketten die belanghebbende heeft bezorgd tijdens het hiervoor in 2.1 genoemde stilstaan van zijn auto. Opmerking verdient dat de stelplicht en de bewijslast hiervoor op belanghebbende rusten. 5Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 6Beslissing De Hoge Raad: - verklaart het beroep in cassatie gegrond, - vernietigt de uitspraak van het Hof, en - verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026. ECLI:NL:GHDHA:2024:1616.