Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2026:908 ECLI:NL:HR:2026:908 AI generated

ECLI:NL:HR:2026:908 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2026:908
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN CIVIELE KAMER Nummer 25/04340 Datum 12 juni 2026 BESCHIKKING In de zaak van [Beschermingsbewindvoerder] , in zijn hoedanigheid van bewindvoerder in het beschermingsbewind van [schuldenaar] , kantoorhoudende te [plaats] , VERZOEKER tot cassatie, hierna: de beschermingsbewindvoerder, advocaten: J. van Weerden en E.J.H. Zandbergen, tegen [WSNP-bewindvoerder] , in haar hoedanigheid van bewindvoerder in de schuldsanering van [schuldenaar] , kantoorhoudende te Eindhoven, VERWEERSTER in cassatie, hierna: de WSNP-bewindvoerder, niet verschenen. 1Procesverloop Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/03/344557 / HA RK 25-137 van de rechtbank Limburg van 19 november 2025.

Legislator headnote

AI generated

art. 315 lid 2 Fw, art. 295 lid 3 Fw, art. 315 lid 1 Fw, art. 360 Fw; ECLI:NL:HR:2026:908 · Hoge Raad: Een herhaald verzoek met gelijke strekking heeft de rechter-commissaris bij beschikking van 11 augustus 2025 afgewezen. 2.3 De beschermingsbewindvoerder heeft bij de rechtbank hoger beroep ingesteld van de beschikking van de rechter-commissaris van 11 augustus 2025. De rechtbank heeft bij beschikking van 19 november 2025 de beschermingsbewindvoerder ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep en het hoger beroep verworpen. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, het volgende overwogen. Tegen een beschikking van de rechter-commissaris als hier aan de orde staat geen hoger beroep open (art. 315 lid 2 Fw en art. 295 lid 3 Fw).

Keywords

AI generated
art. 315 lid 2 Fw art. 295 lid 3 Fw art. 315 lid 1 Fw art. 360 Fw

Cited Legislation

AI generated
art. 315 lid 2 Fw
Tegen een beschikking van de rechter-commissaris als hier aan de orde staat geen hoger beroep open (art. 315 lid 2 Fw en art.
art. 295 lid 3 Fw
315 lid 2 Fw en art. 295 lid 3 Fw).
art. 315 lid 1 Fw
Volgens de rechtspraak van de Hoge Raad is de termijn voor het instellen van beroep in cassatie tegen een op de voet van art. 315 lid 1 Fw gegeven beschikking van de rechtbank waarmee doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van art.
art. 360 Fw
315 lid 1 Fw gegeven beschikking van de rechtbank waarmee doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van art. 360 Fw wordt beoogd, acht dagen na de dag van de uitspraak.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBLIM:2025:11417
RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Roermond Zaaknummer / rekestnummer: C/03/344557 / HA RK 25-137 Beschikking van 19 november 2025 van de meervoudige kamer op het beroep van [verzoeker] , in hoedanigheid van bewindvoerder in het beschermingsbewind van [naam], te [plaatsnaam] , verzoekende partij, hierna te noemen: beschermingsbewindvoerder, advocaat: mr. Q.J. van Riet, tegen de beschikking van de waarnemend rechter-commissaris mr. P. Hoekstra (hierna: de rc) van 11 augustus 2025 in de schuldsaneringsregeling van [naam] . 1De procedure 1.1.
ECLI:NL:HR:1986:AG5174
DE GEILLUSTREERDE PERS B. V. , gevestigd te Amsterdam, 2. [verzoeker 2] , wonende te [woonplaats] , VERZOEKERS tot cassatie, advocaat: Mr. A.H. Vermeulen, tegen DE NEDERLANDSCHE MIDDENSTANDSBANK N. V. , gevestigd te Amsterdam, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: Mr. J.L.W. Sillevis Smitt.
ECLI:NL:HR:1989:AD0641
Het geding in feitelijke instanties Op 11 december 1986 heeft verweerster in cassatie, nader te noemen Wostica, omdat zij zich niet kon verenigen met de uitspraak van de huurcommissie in de ressorten Rotterdam, Schiedam en Brielle d.d. 20 mei 1986, waarbij zij niet ontvankelijk werd verklaard in haar verzoek, zich gewend tot de Kantonrechter te Rotterdam met het verzoek de huurprijs van de door verzoekster tot cassatie, nader te noemen [verzoeker], van Wostica gehuurde woning aan de [a-straat 1] te [woonplaats] vast te stellen op f 306,27 per maand althans vast te stellen dat een bedrag van f 6,30 als redelijke vergoeding voor de door Wostica aangebrachte voorzieningen dient te worden opgenomen in de huurprijs.
ECLI:NL:HR:1989:AD0912
Het geding in feitelijke instanties Met een op 28 juli 1987 gedateerd verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie, verder te noemen [verzoeker], zich gewend tot de Kantonrechter te Maastricht met verzoek tot vaststelling van zijn betalingsverplichting ex art. 12 Huurprijzenwet woonruimte over de jaren 1980 tot en met 1985 jegens verweerster in cassatie, verder te noemen ABP, als verhuurster van de flatwoning gelegen aan de Via Regia nr. 126 S te Maastricht. Nadat ABP tegen het verzoekschrift verweer had gevoerd, heeft de Kantonrechter na gehouden verhoor van partijen ter terechtzitting van 26 november 1987 bij beschikking van 21 januari 1988 [verzoeker] niet ontvankelijk verklaard in zijn verzoek over de jaren 1980 tot en met 1983 en verklaard, dat de betalingsverplichting van [verzoeker] als huurder van bovenvermelde flatwoning met betrekking tot de in artikel 12, lid 1, Huurprijzenwet woonruimte bedoelde kosten ter zake als in die beschikking omschreven, over 1984 een bedrag van f 426,95 en over 1985 een bedrag van f 426,81 bedraagt.
ECLI:NL:HR:2021:1676
Procesverloop Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/05/387499 / HA RK 21-80 van de rechtbank Gelderland van 23 juni 2021.
ECLI:NL:HR:2024:51
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN CIVIELE KAMER Nummer 23/04126 Datum 19 januari 2024 BESCHIKKING In de zaak van [de schuldenaar], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, hierna: de schuldenaar, advocaten: T.T.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN CIVIELE KAMER Nummer 25/04340 Datum 12 juni 2026 BESCHIKKING In de zaak van [Beschermingsbewindvoerder] , in zijn hoedanigheid van bewindvoerder in het beschermingsbewind van [schuldenaar] , kantoorhoudende te [plaats] , VERZOEKER tot cassatie, hierna: de beschermingsbewindvoerder, advocaten: J. van Weerden en E.J.H. Zandbergen, tegen [WSNP-bewindvoerder] , in haar hoedanigheid van bewindvoerder in de schuldsanering van [schuldenaar] , kantoorhoudende te Eindhoven, VERWEERSTER in cassatie, hierna: de WSNP-bewindvoerder, niet verschenen. 1Procesverloop Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/03/344557 / HA RK 25-137 van de rechtbank Limburg van 19 november 2025.

De beschermingsbewindvoerder heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld. De WSNP-bewindvoerder heeft geen verweerschrift ingediend. De conclusie van de Advocaat-Generaal G. Snijders strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de beschermingsbewindvoerder in zijn beroep. De advocaten van de beschermingsbewindvoerder hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd. 2Uitgangspunten en feiten 2.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. (i) De goederen van de schuldenaar zijn onder bewind gesteld. Nadien is de schuldenaar toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. (ii) Bij aanvang van de schuldsaneringsregeling heeft de beschermingsbewindvoerder gevraagd om de kosten van de beschermingsbewindvoering op te nemen in het zogeheten vrij te laten bedrag.

Dit verzoek is afgewezen op de grond dat bijzondere bijstand voor deze kosten kon worden aangevraagd. (iii) Het verzoek om bijzondere bijstand voor de kosten van de beschermingsbewindvoering is afgewezen. Het bezwaar tegen die beschikking is ongegrond verklaard, evenals het daartegen ingestelde beroep bij de rechtbank. 2.2 De rechter-commissaris heeft in de uitkomst van de bestuursrechtelijke procedure geen aanleiding gezien om de kosten van de beschermingsbewindvoering op te nemen in het vrij te laten bedrag. Bij beschikking van 24 juli 2025 heeft de rechter-commissaris een verzoek daartoe van de beschermingsbewindvoerder afgewezen.

Een herhaald verzoek met gelijke strekking heeft de rechter-commissaris bij beschikking van 11 augustus 2025 afgewezen. 2.3 De beschermingsbewindvoerder heeft bij de rechtbank hoger beroep ingesteld van de beschikking van de rechter-commissaris van 11 augustus 2025. De rechtbank heeft bij beschikking van 19 november 2025 de beschermingsbewindvoerder ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep en het hoger beroep verworpen. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, het volgende overwogen. Tegen een beschikking van de rechter-commissaris als hier aan de orde staat geen hoger beroep open (art. 315 lid 2 Fw en art. 295 lid 3 Fw).

Dat kan anders zijn wanneer zich een doorbrekingsgrond voordoet. De beschermingsbewindvoerder heeft een beroep gedaan op doorbrekingsgronden, waardoor hij kan worden ontvangen in zijn hoger beroep. Geen van de aangevoerde doorbrekingsgronden slaagt evenwel, waardoor het hoger beroep moet worden verworpen. (rov. 4.2-4.10) 3Beoordeling van de ontvankelijkheid 3.1 Het cassatieberoep is gericht tegen een beschikking waarin is geoordeeld dat de aangevoerde gronden voor doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van art. 315 lid 2 Fw in verbinding met art. 295 lid 3 Fw niet slagen, en het hoger beroep daarom moet worden verworpen.

Tegen zodanige uitspraak staat beroep in cassatie open zonder dat daarvoor – opnieuw – doorbrekingsgronden behoeven te worden aangevoerd. De vraag ligt voor welke termijn in dat geval geldt voor het instellen van beroep in cassatie. 3.2 De wet bevat geen termijn voor het instellen van een rechtsmiddel met een beroep op doorbreking van een rechtsmiddelenverbod of voor het instellen van een cassatieberoep tegen een daarop gedane uitspraak. Volgens de rechtspraak van de Hoge Raad is de termijn voor het instellen van beroep in cassatie tegen een op de voet van art. 315 lid 1 Fw gegeven beschikking van de rechtbank waarmee doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van art. 360 Fw wordt beoogd, acht dagen na de dag van de uitspraak.

Met het oog op de hanteerbaarheid in de praktijk van de in dit verband in acht te nemen termijnen moet voor het instellen van beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank waarin een beroep op doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van art. 315 lid 2 Fw is afgewezen van dezelfde termijn worden uitgegaan. 3.3 Het cassatieberoep tegen de beschikking van de rechtbank van 19 november 2025 is ingesteld op 28 november 2025 en dus niet binnen acht dagen na de dag van de uitspraak. De beschermingsbewindvoerder is daarom niet ontvankelijk in dat beroep. 3.4 Overigens zijn de in het middel aangevoerde klachten ongegrond, op de gronden uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.1-4.6. 4Beslissing De Hoge Raad verklaart de beschermingsbewindvoerder niet-ontvankelijk in zijn beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, F.J.P. Lock, A.E.B. ter Heide en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op 12 juni 2026. Rechtbank Limburg 19 november 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:11417. Vgl. HR 17 januari 1986, ECLI:NL:HR:1986:AG5174, rov. 3.1, HR 24 februari 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0641, rov. 3 en HR 20 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0912, rov.

3. HR 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1676, rov. 3.5 en HR 19 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:51, rov. 3.2.