Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2026:888 ECLI:NL:HR:2026:888 AI generated

ECLI:NL:HR:2026:888 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2026:888
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 25/02102 Datum 9 juni 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 mei 2025, nummer 21-005991-23, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, hierna: de verdachte.

Legislator headnote

AI generated

artikel 437 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering; ECLI:NL:HR:2026:888 · Hoge Raad: De schriftuur voldoet niet aan dit vereiste, zodat zij onbesproken moet blijven. 2.2 Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur met cassatiemiddelen heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van artikel 437 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering. Dat brengt mee dat de Hoge Raad het cassatieberoep niet in behandeling kan nemen. 3Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F.

Keywords

AI generated
artikel 437 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering

Cited Legislation

AI generated
artikel 437 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering
2.2 Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur met cassatiemiddelen heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van artikel 437 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 25/02102 Datum 9 juni 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 mei 2025, nummer 21-005991-23, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, hierna: de verdachte.

1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat H.C.L. Crozier een schriftuur ingediend. De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep. 2Beoordeling van de schriftuur en de ontvankelijkheid van het beroep 2.1 Als cassatierechter onderzoekt de Hoge Raad alleen cassatiemiddelen (klachten) als in de wet bedoeld. Als een zodanig cassatiemiddel kan alleen gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen.

De schriftuur voldoet niet aan dit vereiste, zodat zij onbesproken moet blijven. 2.2 Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur met cassatiemiddelen heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van artikel 437 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering. Dat brengt mee dat de Hoge Raad het cassatieberoep niet in behandeling kan nemen. 3Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F.

Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 2026.