ECLI:NL:HR:2026:877 · Hoge Raad
Legislator summary
AI generatedHOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 25/00546 Datum 16 juni 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 12 februari 2025, nummer 22-002188-23, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992, hierna: de verdachte.
Legislator headnote
AI generatedECLI:NL:HR:2026:877 · Hoge Raad: HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 25/00546 Datum 16 juni 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 12 februari 2025, nummer 22-002188-23, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992, hierna: de verdachte.
Full text
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 25/00546 Datum 16 juni 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 12 februari 2025, nummer 22-002188-23, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992, hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan. 2Beoordeling van het cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt onder meer over de afwijzing door het hof van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak. 2.2 De klacht is gegrond.
De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal. Dat brengt mee dat bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig is. 3Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof; - wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan. Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 juni 2026.